Ik heb een moord gepleegd. In stilte, want ik wilde de kleine niet wakker maken. Die had ik net in bed gelegd, namelijk, toen ik de indringer in mijn badkamer zag. Ik schrok bij de aanblik van deze vreemdeling, maar gillen is aan Ninja's niet besteed. Zeker niet met een bijna-slapende dreumes in de kamer ernaast. Dus klemde ik mijn kiezen op elkaar en keek ik om me heen, op zoek naar een wapen. Dat was snel gevonden. Het dakraam in de badkamer maken we altijd open en dicht met een stok, omdat we er anders niet bij kunnen. Dus ik greep die stok. Helaas was de stok vrij smal. Met een kleine handdoek om de punt gewikkeld en daar een washandje overheen getrokken, zodat ik een knuppelachtig wapen in mijn hand hield, ging ik op de indringer af. Genadeloos sloeg ik hem neer. Ik gaf er een klap achteraan toen de indringer stuiptrekkend voor me lag. Bijkomend voordeel van mijn improvisatie: het moordwapen maakte weinig lawaai.
Normaal ga ik ze, als ze wat groter zijn, te lijf met de stofzuiger (en ja, ik schakel ook gerust de hulp in van mijn man, want zo'n held ben ik niet). Maar nu moest ik snel zijn en geluidloos.
De spin is dood.
Arme sukkel, kies dan ook een ander huis uit om in rond te kriebelen met die acht griezelige poten van je.
Ik ben altijd maar blij dat ik in Nederland woon, en niet in een land waar ik van die enge vogelspinnen of zo kan tegenkomen. Brrrr.
Sunday, August 2, 2015
Tuesday, June 30, 2015
Geen weer voor Ninja's
Het is warm. En als het zo warm is, kruip ik doorgaans weg in de veilige, niet-zo-warme leefomgeving waar ik me goed voel; mijn woonkamer dus.
Maar vandaag ging ik even naar Kruidvat.
Even lopen.
Kind in de wagen, parasolletje erbij, hop op pad met die handel.
Alles goed en wel. Ik reken af in de winkel en loop op m'n dooie gemak naar huis. Achter me loopt iemand met een rammelende sleutelbos. Iedere pas die die persoon maakt, hoor ik het gerinkel van die sleutelbos. In een donker bos in het holst van de nacht zou zoiets je de stuipen op het lijf jagen, maar het is midden op de dag en de zon kan bijna niet harder schijnen, dus is het hooguit een irritant geluid.
Thuis aangekomen wil ik mijn telefoon uit mijn tas halen (dat doe ik nu eenmaal altijd) - en dan zie ik dat mijn portemonnee niet meer in mijn tas zit.
Fuck.
Voorvakje gecheckt. Tas nogmaals gecheckt. Luiertas nagekeken, hoewel ik weet dat ik daar echt m'n portemonnee niet in heb gestopt. Tasje met boodschappen nagekeken (beter gezegd: op tafel leeggegooid). Niks. Geen portemonnee.
Fuck.
Wel breekt de sleutelhanger af die aan de rits zit van het vakje waar mijn portemonnee doorgaans in zit. Te hard aan getrokken, wellicht?
FUCK!
Mijn oververhitte hersenen draaien op dat moment op volle toeren en komen met de volgende informatie op de proppen:
- Die portemonnee moet je naast je tas hebben gestopt met je domme hoofd, dat is goed mogelijk.
- Het ding ligt waarschijnlijk nog in het Kruidvat.
- Erg veel contant geld zat er niet in, misschien iets meer dan tien euro. Da's geen ramp.
- Pinpas zit er wel in, maar ook dat overleef ik wel.
- Klotezooi, die portemonnee zélf was aardig duur.
- Misschien is-ie er onderweg op de een of ander manier uitgevallen.
- Dat onheilspellende gerinkel van die sleutelbos onderweg ook, weet je zeker dat je niet bent gerold?
- TERUG dus.
Welja. Terug. Hup, kind weer naar buiten (die vond dat niet erg) en in snelle wandelpas terug naar Kruidvat. Daar meteen gevraagd of er geen portemonnee was gevonden.
Nee, dat was niet zo.
FUCK, dacht ik. Blijkbaar sprak mijn gezicht dat uit.
Medewerkster keek mij nog eens aan. 'Maar u hebt er hier toch net mee afgerekend?'
Ik had bewondering voor haar geheugen. Maar ik ben ook zo iemand (rood haar, kinderwagen met parasolletje, waarschijnlijk een rode kop ook nog, want dat heb ik als ik in die hitte ga lopen, en als ik 'm niet kwijt ben een rode portemonnee) die je onthoudt.
Ja, ik had er net mee afgerekend.
Oké, ze ging eens even mee kijken. Of ik zeker wist dat-ie niet in mijn tas zat?
Nee. Ook niet in de luiertas, kijk. Maar -
Ineens schiet het beeld te binnen dat mij eerder niet te binnen wilde schieten. Dat ik iets in dat vakje aan de achterkant van mijn tas stop, waar ik normaal alleen een plastic tas in bewaar die ik altijd bij me heb voor als ik eens een boodschappentas vergeet mee te nemen naar de supermarkt of zo.
DAT STOMME VAKJE AAN DE ACHTERKANT!
Ja hoor, daar zat-ie in.
Was mijn hoofd eerder niet rood, dan was dat nu ongetwijfeld wel zo.
Deze hitte is niet goed voor mijn hoofd. En mijn volgende tas wordt er een met minder vakjes.
Maar vandaag ging ik even naar Kruidvat.
Even lopen.
Kind in de wagen, parasolletje erbij, hop op pad met die handel.
Alles goed en wel. Ik reken af in de winkel en loop op m'n dooie gemak naar huis. Achter me loopt iemand met een rammelende sleutelbos. Iedere pas die die persoon maakt, hoor ik het gerinkel van die sleutelbos. In een donker bos in het holst van de nacht zou zoiets je de stuipen op het lijf jagen, maar het is midden op de dag en de zon kan bijna niet harder schijnen, dus is het hooguit een irritant geluid.
Thuis aangekomen wil ik mijn telefoon uit mijn tas halen (dat doe ik nu eenmaal altijd) - en dan zie ik dat mijn portemonnee niet meer in mijn tas zit.
Fuck.
Voorvakje gecheckt. Tas nogmaals gecheckt. Luiertas nagekeken, hoewel ik weet dat ik daar echt m'n portemonnee niet in heb gestopt. Tasje met boodschappen nagekeken (beter gezegd: op tafel leeggegooid). Niks. Geen portemonnee.
Fuck.
Wel breekt de sleutelhanger af die aan de rits zit van het vakje waar mijn portemonnee doorgaans in zit. Te hard aan getrokken, wellicht?
FUCK!
Mijn oververhitte hersenen draaien op dat moment op volle toeren en komen met de volgende informatie op de proppen:
- Die portemonnee moet je naast je tas hebben gestopt met je domme hoofd, dat is goed mogelijk.
- Het ding ligt waarschijnlijk nog in het Kruidvat.
- Erg veel contant geld zat er niet in, misschien iets meer dan tien euro. Da's geen ramp.
- Pinpas zit er wel in, maar ook dat overleef ik wel.
- Klotezooi, die portemonnee zélf was aardig duur.
- Misschien is-ie er onderweg op de een of ander manier uitgevallen.
- Dat onheilspellende gerinkel van die sleutelbos onderweg ook, weet je zeker dat je niet bent gerold?
- TERUG dus.
Welja. Terug. Hup, kind weer naar buiten (die vond dat niet erg) en in snelle wandelpas terug naar Kruidvat. Daar meteen gevraagd of er geen portemonnee was gevonden.
Nee, dat was niet zo.
FUCK, dacht ik. Blijkbaar sprak mijn gezicht dat uit.
Medewerkster keek mij nog eens aan. 'Maar u hebt er hier toch net mee afgerekend?'
Ik had bewondering voor haar geheugen. Maar ik ben ook zo iemand (rood haar, kinderwagen met parasolletje, waarschijnlijk een rode kop ook nog, want dat heb ik als ik in die hitte ga lopen, en als ik 'm niet kwijt ben een rode portemonnee) die je onthoudt.
Ja, ik had er net mee afgerekend.
Oké, ze ging eens even mee kijken. Of ik zeker wist dat-ie niet in mijn tas zat?
Nee. Ook niet in de luiertas, kijk. Maar -
Ineens schiet het beeld te binnen dat mij eerder niet te binnen wilde schieten. Dat ik iets in dat vakje aan de achterkant van mijn tas stop, waar ik normaal alleen een plastic tas in bewaar die ik altijd bij me heb voor als ik eens een boodschappentas vergeet mee te nemen naar de supermarkt of zo.
DAT STOMME VAKJE AAN DE ACHTERKANT!
Ja hoor, daar zat-ie in.
Was mijn hoofd eerder niet rood, dan was dat nu ongetwijfeld wel zo.
Deze hitte is niet goed voor mijn hoofd. En mijn volgende tas wordt er een met minder vakjes.
Friday, June 26, 2015
Wacht maar tot...
Van mij mag er een verbod komen op het uitspreken (of typen) van die drie woordjes, als dat bedoeld is om zo'n irritant zinnetje te beginnen: wacht maar tot...
Herkenbaar? Vast wel. Vooral voor vrouwen. En al helemaal voor vrouwen die zwanger worden en een kind krijgen. Dat gaat ongeveer zo, tijdens je leven:
- Als klein meisje: wacht maar tot je zo oud bent als...
- Als je nog single bent: wacht maar tot je een vriend hebt. (Dat is immers de standaard-verwachting, de verrassing zal groot zijn als je met een vrouw thuis komt, maar dat even daargelaten ;) )
- Als je verkering hebt: wacht maar tot je samenwoont.
- Als je samenwoont: wacht maar tot je getrouwd bent.
- Als je getrouwd bent: wacht maar tot je kinderen hebt.
- Als je dan zwanger bent: wacht maar tot je huppelepup-weken zwanger bent. (Standaard-vooruitzicht dat je voorgeschoteld krijgt: dikke enkels, veel gekreun, maagzuur, vreetbuien, vreetbuien, veel rare dingen eten -- even ter info, ik heb geen van deze dingen ervaren tijdens mijn zwangerschap.)
- Meer als je zwanger bent: wacht maar tot die kleine er is.
- Als de kleine er is: wacht maar tot ze gaat kruipen.
- Als de kleine gaat kruipen: wacht maar tot ze gaat lopen.
- Als ...
Ik kan zo nog lang doorgaan, denk ik. Het zijn van die zinnetjes waarmee mensen een gesprek doodslaan: Ja, wacht maar tot die van jou zo oud is dat... Om zwaar geïrriteerd van te worden! En het is gemeen ook nog eens. Je kunt er namelijk amper op reageren. Het is zo'n half-dreigende, half-denigrerende opmerking, vaak, zo'n zinnetje waarmee iemand wil zeggen: houd je mond toch, je weet er niets van! Houd je mening voor je, je mag er niet over meepraten!
Overdrijf ik?
Misschien.
Maar denk nog eens na voordat je deze drie woorden in je mond neemt. En ik hoor het je denken: zeur niet zo! Wacht maar tot je het zelf wilt zeggen... ;)
Thursday, June 18, 2015
Haiku
wind fluistert woorden
door volgroene bladeren
vluchtige klanken
Labels:
haiku,
haiku/senryu,
schrijfsel
Sunday, June 14, 2015
Bliter’s Wrock druipt af
Ze kijken elkaar aan, die twee. De man moet omhoog
kijken, omdat hij, net als ik, niet groot genoeg is om op ooghoogte met Bliter’s
Wrock te staan. Maar het overwicht ligt niet bij het enorme monster.
‘Ga weg,’ is het enige wat de man zegt.
Bliter’s Wrock lijkt te krimpen onder het geluid
van die stem.
Ik begrijp hoe hij zich moet voelen.
De priemende blik van het personage jaagt Bliter’s
Wrock naar buiten. Ik kan slechts toekijken. Ik zie alleen de rug van de man,
maar ik weet heel goed hoe die blik is. Het verbaast me dan ook niet dat Bliter’s
Wrock daadwerkelijk krimpt, als hij zich terugtrekt. Van zijn enorme afmetingen
blijft niet veel over. Eerst krimpt hij genoeg om door de keuken te kunnen, dan
wordt hij nog korter, zodat hij door de achterdeur kan, en als hij in de tuin
is, is hij ver genoeg gekrompen om lachwekkend te zijn.
Mijn personage draait zich niet naar me om. Hij
legt slechts zijn hand op het gevest van zijn zwaard.
Ik haal diep adem. In de tuin smelt Bliter’s Wrock,
totdat er slechts een modderpoeltje overblijft. Hij is niet dood, of verslagen,
maar voorlopig is hij wel weggejaagd. Angstig koos hij het hazenpad, verdreven
door het bevel van een man die half zo groot is. Even denk ik erover om hem
achterna te gaan, want ik ben er nog niet helemaal uit of dit nu een
verbetering is. Nu ben ik immers achtergebleven met die man in mijn woonkamer.
Ik wacht niet af. Hij hoeft mij niet aan te kijken
en hij hoeft ook niets tegen me te zeggen om duidelijk te maken wat hij wil. Daar
ken ik hem te goed voor. Dat krijg je, als je iemand zelf hebt verzonnen. Zo
iemand ken je door en door.
Ik schrijf. Als ik enkele minuten later opkijk, is
mijn woonkamer weer van mij.
Voorlopig.
Labels:
bliter's wrock,
schrijfsel
Monday, June 8, 2015
Bliter’s Wrock
‘Damn, wat ben jij groot. En lelijk!’ Ik kijk hem
eens goed in zijn ogen. Daarvoor moet ik omhoog kijken, want die ogen zweven
ergens op tweeënhalve meter hoogte. Het ding neemt de halve kamer in beslag met zijn enorme gestalte. Doordat het plafond te
laag voor hem is, staat hij zodanig gebukt dat het net is alsof hij een bochel
heeft. Zijn ogen, kleine rattenoogjes in het midden van de grote zwarte kop,
kijken me glinsterend aan.
Ik noem hem Bliter’s Wrock. Niet bepaald
origineel, ik weet het, maar ik moet het er maar mee doen. Of hij moet het er
maar mee doen.
‘Grmblgrmebl,’ gromt hij.
‘En je stinkt,’ zeg ik.
‘Aaargh!’ Hij spert zijn muil open en stoot een
kreet uit. Slijm vliegt door de kamer. Gadverdamme. Kan ik dadelijk nog gaan
dweilen ook.
Een van zijn poten staat op mijn laptop. De nagel
van een van de klauwen blijft hangen op de x, waardoor mijn hele document nu
volstaat met virtuele kusjes. De x-jes vliegen over het scherm.
Bliter’s Wrock buigt voorover, totdat zijn natte
neus de mijne raakt en ik in die onmetelijke oneindigheid van zijn kleine
rattenoogjes kan verdwalen. Ik weet wat hij bedoelt. Hij staat in mijn kamer,
als een wolharige mammoet uit de prehistorie, een enorm gevaarte dat er is maar
er niet kan zijn. Toch is-ie hier. Stinkend en wel. In levende lijve is hij
hier om de boel te blokkeren.
De kleine gaat staan in haar box en lacht naar het
grote monster. Bliter’s Wrock knippert. Kijkt mij nog eens aan. Snuift dan.
Eindelijk haalt-ie zijn klauw van mijn toetsenbord. Ik duw met een wijsvinger
zijn ruwe, schubbige poot opzij, en wring me langs hem. Snel typ ik dit
bericht. Ondertussen komt zijn greep, zijn mentale overwicht, alweer terug.
‘Laat me met rust,’ zeg ik, maar daarop giechelt
het ding slechts. Ik kijk hem kwaad aan. Zijn schaduw valt over mijn
beeldscherm heen.
Als de kleine een knuffel over de rand van de box
gooit, grist Bliter’s Wrock mijn laptop onder mijn vingers uit. Zijn geduld is
op. Dit was het dan voor vandaag.
‘Lelijke lelijkerd,’ bijt ik hem toe, en ik pers
me langs zijn harige rug om naar de keuken te kunnen. Ik ga wel afwassen.
Misschien kan ik morgen weer wat schrijven.
Labels:
bliter's wrock,
schrijfsel
Tuesday, May 26, 2015
Twee vrouwen
Mevrouw M schoof een eindje opzij. Waarom waren
die bankjes in die bushokjes altijd zo klein? Was dat met opzet zo gedaan? Er
zat vast een ontwerper achter die graatmager was en nooit zelf boodschappen had
gedaan. Zéker niet met het openbaar vervoer. Ja. Zo’n enge, magere lat, zo’n
gladjanus met een pak aan en gepoetste schoenen, die de hele dag over z’n
bureau gebogen dingen bepaalde voor de – nooit zo genoemde, maar wel bestaande –
lagere klasse. Die mensen die hij niet kende. Die mensen waar hij op neerkeek. Het
was een man, daar was mevrouw M zeker van. Dit soort dingen werden altijd door
mannen verzonnen. Door mannen met geld.
Steels liet mevrouw M haar blik opzij gaan. De
dame voor wie ze naar het uiterste puntje van het bankje was geschoven, knikte
haar toe en ging zitten alsof ze ieder moment naar beneden kon storten. Voor
zover mevrouw M wist, kon dat ook wel eens zo zijn. Metaalmoeheid, losse
schroeven, een bouwvakker die had staan slapen of die domweg de instructies
niet had begrepen omdat die in een taal waren gegeven die hij niet verstond.
Het zou dus zomaar kunnen gebeuren dat het pesterig smalle en korte bankje
ineens in elkaar zakte. Mevrouw M gaf haar tijdelijke buurvrouw geen ongelijk
dat ze zo op het randje bleef zitten.
‘Hij reed net weg,’ zei mevrouw M. Het was totaal
overbodige informatie, feitelijk. Zolang er geen bus voor hun neus stond, was
er geen bus. Punt. Het was niet iets wat je over het hoofd kon zien. Of de andere bus nou net
weg was of al lang en breed op de volgende halte, dat maakte in hun geval niets
uit. Het veranderde niets aan wat zij moesten doen: wachten op de volgende.
‘Reed zo weg, ook al zag hij me zwaaien,’ zei ze er nog achteraan. De dame keek
op haar horloge. Een eenvoudig, maar sierlijk horloge aan een sierlijke pols
met een sierlijke hand en sierlijke vingers. Sommige mensen hadden meer geluk
dan andere. Mevrouw M keek even naar haar eigen vingers. Eeltig, veel te dik.
Worstjes.
‘Ik vind dat zo erg als ze dat doen,’ zei de dame.
Zelfs een sierlijke stem.
‘En dan tien minuten bij de volgende halte moeten
blijven staan,’ ging de dame verder, ‘omdat ze te snel zijn gegaan.’
‘Ja, precies!’ zei mevrouw M. Daarna werd het weer
stil.
Mevrouw M keek voor zich uit, maar af en toe
gleden haar ogen naar de voeten van de dame. Smalle voeten in gemakkelijke
instappers. Zelf had ze die ochtend schoenen met een lage hak aangetrokken. De
enige nette schoenen die ze had. Haar enkels knelden en haar tenen schuurden,
maar het zag er vrouwelijker uit. Als ze ook nog instappers aandeed, bleef er
zeker niets van haar vrouwelijkheid over. Maar de dame kon waarschijnlijk op
blote voeten rondrennen in een vuilniszak en er nog als Doutzen Kroes uitzien.
Wat moest het heerlijk zijn om zoveel zelfvertrouwen te hebben.
De dame stond gracieus op.
Mevrouw M hees zich omhoog. Ze bukte zich om haar
zware boodschappentassen op te pakken, wist ze in één hand te frommelen en
diepte haar ov-kaart op uit haar jaszak. Toen de bus aankwam, liet de dame haar
geduldig voorgaan. Mevrouw M zag dat de dame helemaal achterin ging zitten.
Zelf liep ze maar tot halverwege. Ze plofte neer, haar voeten schrijnend van de
korte wandeling door het gangpad van de bus. Stomme schoenen.
Mevrouw A ging minder snel lopen toen ze iemand in
het bushokje zag zitten. In de verte was de achterkant van de bus te zien. Hij
ging net de hoek om.
Hoe kon het ook anders.
Op het bankje in het bushokje zat een dame te
wachten. Ze schoof een stukje op, ook al paste mevrouw A er makkelijk naast. Zo
breed was ze niet. Was ze maar wat breder! Normale heupen, wat vollere borsten –
maar nee, zelfs op haar dertigste bleef haar figuur meisjesachtig smal. Ze
wierp een steelse blik opzij. De dame naast haar had vlees op haar botten. Ze
was een mooie vrouw, een échte vrouw, iemand die vast en zeker wist hoe ze
dingen moest aanpakken. Mevrouw A bleef op het puntje van de bank zitten, een
oude gewoonte. Eén keer was ze op een bankje gaan zitten waarop iemand iets had
achtergelaten. Wat het was, daar kwam ze nooit achter. Een gesmolten snoepje,
waarschijnlijk, een ijsje dat had gedrupt, zoiets. Sindsdien ging ze niet meer
zomaar op een openbaar bankje zitten. En ze voelde zich te belachelijk om met
een zakdoekje eerst een zitplaats schoon te vegen.
‘Hij reed net weg,’ zei de dame.
Mevrouw A knikte. Dat had ze gezien.
‘Reed zo weg, ook al zag hij me zwaaien.’
Mevrouw A keek op haar horloge. Nu zou de bus pas
weg mogen rijden. ‘Ik vind dat zo erg als ze dat doen,’ zei ze. En dat vond ze
ook echt. Natuurlijk, een buschauffeur kon niet voor iedereen wachten, maar
meestal reden ze weg als ze nog tijd over hadden. Ze had zelfs eens meegemaakt
dat een buschauffeur extra hard door de wijk reed, omdat hij dan halverwege
zijn dienst snel bij zijn bakker naar binnen kon schieten om een brood te
halen. Een brood! Dat verzon je toch niet! ‘En dan tien minuten bij de volgende
halte moeten blijven staan,’ ging ze verder, ‘omdat ze te snel zijn gegaan.’
Waarom zei ze dit? Maar wat moest ze anders zeggen? De dame vond haar vast een
domme doos. Zo’n bakvis. Meestal werd ze voor bakvis aangezien, ook al was ze
oud genoeg om de moeder van haar eigen bakvis te zijn, maar daar werd niet naar
gekeken.
‘Ja, precies!’ zei de dame.
Daarna viel er een stilte.
Mevrouw A keek voor zich uit. Af en toe wierp ze
een blik opzij, naar de andere kant van de straat, waar de volgende bus vandaan
moest komen. Dan zag ze ook de dame. Die had twee propvolle boodschappentassen
tussen haar benen staan. Mevrouw A vroeg zich af hoe ze dat volhield, om die
dingen mee te slepen. Ze zagen eruit alsof ze twintig kilo per stuk wogen:
pakken vruchtensap, blikken soep en groente, geen lichte boodschappen. En dat
op hakken. Zelf had ze die ochtend instappers aangedaan, de enige schoenen
waarop ze een hele dag kon lopen. Hoe deden andere vrouwen dat toch – om er zo
op en top vrouwelijk uit te blijven zien met pijnlijke voeten van die
ongetwijfeld door mannen verzonnen martelwerktuigen? Of lag het aan haar dat
zij met hakken altijd het gevoel had dat ze na een paar uur waggelde als een
pinguïn?
De bus kwam aanrijden. Mevrouw A stond haastig op.
Naast haar tilde de dame haar zware tassen moeiteloos van de grond, om ze
vervolgens ook nog eens in één hand vast te houden, terwijl ze met de andere
naar haar ov-kaart zocht. Mevrouw A wenste dat zij zoveel kracht in haar
vingers had. Ze liet de dame voorgaan. Daarna zocht ze zelf een plekje helemaal
achter in de bus. In het voorbijgaan zag ze een man zijn blik langs haar laten gaan.
Langs. Zijn ogen dwaalden meteen verder.
Ze plofte neer op een van de achterste stoelen en
staarde naar buiten. Ze had toch hakken aan moeten doen.
Labels:
schrijfsel
Subscribe to:
Posts (Atom)