Monday, March 16, 2015

Huishoudelijke perikelen

Af en toe moet je een strijkijzer wel eens schoonmaken. Zeker als je net even op de verkeerde stand op de verkeerde plaats van dat ene topje hebt staan strijken en je dus een mooie felrode streep op je strijkijzer hebt staan. Rood, ja. Niet handig als je ook nog spierwitte overhemden moet strijken.

Dus deze huisvrouw ging haar strijkijzer schoonmaken.

Ik had daar toevallig pas geleden een HG strijkijzer-schoonmaak-ding voor gekocht. 

Dit spul: 


Ik dacht dat dat handig zou zijn.
Ik dacht waarschijnlijk ook dat IK er HANDIG GENOEG voor zou zijn.

Dit is het moment om me even uit te lachen. Natuurlijk ben ik daar niet handig genoeg voor! 

Na zorgvuldig de gebruiksaanwijzing op de zijkant van het pakje te hebben gelezen, zette ik keurig mijn strijkijzer aan op standje "zijde". Vervolgens haalde ik de "staaf" uit de verpakking, ik helde het strijkijzer licht voorover (godzijdank had ik eraan gedacht om de stoom-functie uit te zetten) en ging enthousiast aan de slag. 

Wat blijkt? 

Dat ding SMELT!

Had ik daarop gerekend? Nee! Natuurlijk niet! Dat weet ik toch niet! Weet ik veel wat het voor iets is! Hadden ze er niet even een waarschuwing op kunnen zetten? Iets als "leg er een doek onder" of zo?

Dus ja, ik had het spul nu op het strijkijzer zitten, maar dat witte goedje droop natuurlijk wél naar beneden. OP MIJN TAFEL. Nou dáár was ik lekker mee. Had ik witte kwakjes op mijn tafel liggen. En je snapt zelf wel dat dat spul, zodra het niet meer warm is, meteen weer STOLT.

O, hoe fijn, witte, gestolde kwakjes smurrie op de eettafel.

Strijkijzer weer uitgezet, schone vaatdoek gepakt, natgemaakt en strijkijzer schoongemaakt. En de tafel deels schoongekrabd met het bijgeleverde borsteltje (kwam die in ieder geval nog van pas) en vervolgens ook schoongemaakt met de natte vaatdoek. Ik moet toegeven: het strijkijzer glimt wel mooi. Maar het rood ging er niet wonderbaarlijk makkelijk af en de rest van de vlekken (ooit moet ik ergens een broek hebben gehad waar een strijkijzerafdruk in stond volgens mij) die zitten er nog op. Wel iets minder groot dan het was. Maar of dat nou komt door mijn gepoets met een simpele vochtige doek of door het staaf-avontuur, zou ik niet durven zeggen.

Ik heb het avontuur met de smeltende witte staaf maar niet herhaald. Misschien een andere keer. In ieder geval leg ik er dan wel iets onder. 1 geluk: ik heb dit niet op de strijkplank geprobeerd. 

Thursday, March 12, 2015

Soms houd ik me in

Er zijn van die dingen waarop je gewoon NIET moet reageren. Geen geringe opgave voor iemand zoals ik, om mijn mond te houden. Echt niet. Zelfs als ik met "mond houden" eigenlijk bedoel dat ik me moet inhouden achter m'n pc. Soms voel ik gewoon dat brandende, jeukende, vervelende gevoel in mijn vingers, die innerlijke drang, die bijna onweerstaanbare neiging om toch...

Maar nee.
NEE.
Niet doen.

Dat krantenartikeltje, dat niet op iedereen van toepassing is. Niet op reageren.
Die ene post op Facebook, zo'n "pot-verwijt-de-ketel"-post. Niet op reageren.

O, Facebook. Gij broednest van mooimakerij, politieke uithangborden, verkeerde interpretaties ende maaltijdfoto's.

Voordat er internet was, kon je jezelf nog eens verspreken in de plaatselijke kroeg of op een verjaardag. Iedereen wist dan wie het zei. Dan kreeg je een "heb je haar weer" of een paar rollende ogen, misschien werd iemand kwaad, dat was dan jammer. Maar nu? Internet heeft de schijn van anonimiteit, waardoor het schijnbaar makkelijker lijkt om er online iets "uit te flappen" dan dat het vroeger "in real life" was.

Nou, ik flap niet.
Niet als ik me kan inhouden, bedoel ik dus. Zelfs niet...
... nee.
Zelfs dan niet.
Tenzij ik het er natuurlijk gewoon zomaar... uitflap.

Friday, March 6, 2015

Toekomstbeeld

Je leest wel eens een krantenbericht waardoor je meteen horrorscenario's in je hoofd krijgt. Onderstaand verhaal is geïnspireerd door dit krantenartikel: Alle baby's naar de opvang 
Het is natuurlijk maar een verhaaltje, en zoiets zal nooit gebeuren... toch?


Toekomstbeeld

De baby huilde. Steeds weer duwde ze de fles weg die de zuster haar gaf. Haar handjes grepen naar haar moeder, die in de deuropening van de kamer stond en op haar nagel beet.
‘Kom, dit is niet goed voor het kleintje,’ zei de tweede zuster.
De moeder keek naar haar kind. ‘Kan ik haar niet aanleggen?’
‘Nee, nee,’ zei de tweede zuster. Ze legde een hand op de schouder van de moeder. ‘De speentjes van tegenwoordig zijn perfect gemaakt om de stand van de kaakjes niet nadelig te beïnvloeden. En zo kunt u ook geen spruw of borstontsteking krijgen en uw kindje kan ook eens door een ander worden gevoed. Dat is beter voor haar ontwikkeling.’
De moeder knikte, maar haar ogen bleven op haar inmiddels krijsende kind gericht. ‘Maar ik wil het graag zelf doen. Ik vind het niet erg…’
De zuster die het kindje probeerde te voeden, keek op. ‘De overheidsprogramma’s zijn zwaar bevochten, mevrouw. De beste psychologen en pedagogen zullen met uw dochtertje werken. Hebt u daarvoor geleerd?’
‘Nee.’
‘Kom,’ zei de tweede zuster weer.
‘Maar kan ik haar dan niet nu…’
‘U moet zich niet zo veel aan uw kindje hechten,’ zei de eerste zuster streng. ‘Dat is niet goed voor u. Hoe moet ze dan ooit zelfstandig worden? Gaat u nu maar lekker beneden uitrusten, dan zorgen wij voor uw kleintje. Als ze straks in haar eigen bedje lekker ligt te slapen, kunt u even kijken.’
De moeder sloeg de hand van de tweede zuster weg. ‘Ik wil haar zelf voeden. Daar zijn mijn borsten voor gemaakt. En ik wil haar zelf in bed leggen. En zelf opvoeden.’
Er viel een zware stilte. Na een paar seconden begon de eerste zuster te lachen, een hoog, hikkend geluid dat zo angstaanjagend was dat zelfs de baby geschrokken stopte met krijsen. Met grote ogen keek het kleine bundeltje naar het vertrokken gezicht dat boven haar hing.
‘Haal een opnameformulier,’ zei de eerste zuster tegen de tweede zuster. ‘Mevrouw heeft duidelijk last van ernstige psychische problemen. Waanbeelden.’
‘Geef me mijn kind.’
‘U bent niet in staat om voor dit kind te zorgen,’ hield de eerste zuster vol.
De tweede zuster haastte zich ondertussen de kamer uit, een telefoon tegen haar oor gedrukt.
‘Ze heeft liefde nodig.’
‘Liefde is geen onderdeel van de gedrags- en ontwikkelingskaarten zoals die…’
‘Geef me mijn kind!’ De moeder liep naar de zuster.
De zuster stond haastig op van de stoel. Het flesje rolde op de grond. De moeder stak haar hand uit naar haar dochtertje. Op het moment dat de spuit door de tweede zuster in haar bil werd gestoken, ontmoetten haar ogen die van haar kind. De baby barstte in huilen uit. De moeder zakte op de grond.
De eerste zuster schudde haar hoofd. ‘Arm kleintje. Je moeder snapt het niet, hè. Het is voor jouw bestwil,’ praatte ze, terwijl ze bukte en het flesje opraapte. Ze draaide zich met haar rug naar de bewusteloze moeder. ‘Zo kunnen we al vroeg zien of je je toch wel goed ontwikkelt, en zo leer je veel sneller alles wat je moet leren om een goede burger te zijn. Ja, hè. We zullen heel goed voor je zorgen, lieverd. Kom, ga nu maar braaf drinken, deze melk is uitgebreid getest. Je weet nooit of je moeder niet stiekem wat heeft gedronken. Toe maar, anders gaan we je zo aan een infuus leggen hoor. Je moet goed groeien. Straks komt de dokter voor wat testjes en dan zullen we die rare moeder van je wat hulp aanbieden, zodat jij goed terecht komt.’ Ze snoof. ‘Zelf voeden. Zelf opvoeden! We leven niet meer in de twintigste eeuw. Nee, hè. Je moet opvoeding wel aan professionals overlaten.’