Tuesday, May 26, 2015

Twee vrouwen

Twee vrouwen


Mevrouw M schoof een eindje opzij. Waarom waren die bankjes in die bushokjes altijd zo klein? Was dat met opzet zo gedaan? Er zat vast een ontwerper achter die graatmager was en nooit zelf boodschappen had gedaan. Zéker niet met het openbaar vervoer. Ja. Zo’n enge, magere lat, zo’n gladjanus met een pak aan en gepoetste schoenen, die de hele dag over z’n bureau gebogen dingen bepaalde voor de – nooit zo genoemde, maar wel bestaande – lagere klasse. Die mensen die hij niet kende. Die mensen waar hij op neerkeek. Het was een man, daar was mevrouw M zeker van. Dit soort dingen werden altijd door mannen verzonnen. Door mannen met geld.
Steels liet mevrouw M haar blik opzij gaan. De dame voor wie ze naar het uiterste puntje van het bankje was geschoven, knikte haar toe en ging zitten alsof ze ieder moment naar beneden kon storten. Voor zover mevrouw M wist, kon dat ook wel eens zo zijn. Metaalmoeheid, losse schroeven, een bouwvakker die had staan slapen of die domweg de instructies niet had begrepen omdat die in een taal waren gegeven die hij niet verstond. Het zou dus zomaar kunnen gebeuren dat het pesterig smalle en korte bankje ineens in elkaar zakte. Mevrouw M gaf haar tijdelijke buurvrouw geen ongelijk dat ze zo op het randje bleef zitten.
‘Hij reed net weg,’ zei mevrouw M. Het was totaal overbodige informatie, feitelijk. Zolang er geen bus voor hun neus stond, was er geen bus. Punt. Het was niet iets wat je over het hoofd kon zien. Of de andere bus nou net weg was of al lang en breed op de volgende halte, dat maakte in hun geval niets uit. Het veranderde niets aan wat zij moesten doen: wachten op de volgende. ‘Reed zo weg, ook al zag hij me zwaaien,’ zei ze er nog achteraan. De dame keek op haar horloge. Een eenvoudig, maar sierlijk horloge aan een sierlijke pols met een sierlijke hand en sierlijke vingers. Sommige mensen hadden meer geluk dan andere. Mevrouw M keek even naar haar eigen vingers. Eeltig, veel te dik. Worstjes.
‘Ik vind dat zo erg als ze dat doen,’ zei de dame.
Zelfs een sierlijke stem.
‘En dan tien minuten bij de volgende halte moeten blijven staan,’ ging de dame verder, ‘omdat ze te snel zijn gegaan.’
‘Ja, precies!’ zei mevrouw M. Daarna werd het weer stil.
Mevrouw M keek voor zich uit, maar af en toe gleden haar ogen naar de voeten van de dame. Smalle voeten in gemakkelijke instappers. Zelf had ze die ochtend schoenen met een lage hak aangetrokken. De enige nette schoenen die ze had. Haar enkels knelden en haar tenen schuurden, maar het zag er vrouwelijker uit. Als ze ook nog instappers aandeed, bleef er zeker niets van haar vrouwelijkheid over. Maar de dame kon waarschijnlijk op blote voeten rondrennen in een vuilniszak en er nog als Doutzen Kroes uitzien. Wat moest het heerlijk zijn om zoveel zelfvertrouwen te hebben.
De dame stond gracieus op.
Mevrouw M hees zich omhoog. Ze bukte zich om haar zware boodschappentassen op te pakken, wist ze in één hand te frommelen en diepte haar ov-kaart op uit haar jaszak. Toen de bus aankwam, liet de dame haar geduldig voorgaan. Mevrouw M zag dat de dame helemaal achterin ging zitten. Zelf liep ze maar tot halverwege. Ze plofte neer, haar voeten schrijnend van de korte wandeling door het gangpad van de bus. Stomme schoenen.

Mevrouw A ging minder snel lopen toen ze iemand in het bushokje zag zitten. In de verte was de achterkant van de bus te zien. Hij ging net de hoek om.
Hoe kon het ook anders.
Op het bankje in het bushokje zat een dame te wachten. Ze schoof een stukje op, ook al paste mevrouw A er makkelijk naast. Zo breed was ze niet. Was ze maar wat breder! Normale heupen, wat vollere borsten – maar nee, zelfs op haar dertigste bleef haar figuur meisjesachtig smal. Ze wierp een steelse blik opzij. De dame naast haar had vlees op haar botten. Ze was een mooie vrouw, een échte vrouw, iemand die vast en zeker wist hoe ze dingen moest aanpakken. Mevrouw A bleef op het puntje van de bank zitten, een oude gewoonte. Eén keer was ze op een bankje gaan zitten waarop iemand iets had achtergelaten. Wat het was, daar kwam ze nooit achter. Een gesmolten snoepje, waarschijnlijk, een ijsje dat had gedrupt, zoiets. Sindsdien ging ze niet meer zomaar op een openbaar bankje zitten. En ze voelde zich te belachelijk om met een zakdoekje eerst een zitplaats schoon te vegen.
‘Hij reed net weg,’ zei de dame.
Mevrouw A knikte. Dat had ze gezien.
‘Reed zo weg, ook al zag hij me zwaaien.’
Mevrouw A keek op haar horloge. Nu zou de bus pas weg mogen rijden. ‘Ik vind dat zo erg als ze dat doen,’ zei ze. En dat vond ze ook echt. Natuurlijk, een buschauffeur kon niet voor iedereen wachten, maar meestal reden ze weg als ze nog tijd over hadden. Ze had zelfs eens meegemaakt dat een buschauffeur extra hard door de wijk reed, omdat hij dan halverwege zijn dienst snel bij zijn bakker naar binnen kon schieten om een brood te halen. Een brood! Dat verzon je toch niet! ‘En dan tien minuten bij de volgende halte moeten blijven staan,’ ging ze verder, ‘omdat ze te snel zijn gegaan.’ Waarom zei ze dit? Maar wat moest ze anders zeggen? De dame vond haar vast een domme doos. Zo’n bakvis. Meestal werd ze voor bakvis aangezien, ook al was ze oud genoeg om de moeder van haar eigen bakvis te zijn, maar daar werd niet naar gekeken.
‘Ja, precies!’ zei de dame.
Daarna viel er een stilte.
Mevrouw A keek voor zich uit. Af en toe wierp ze een blik opzij, naar de andere kant van de straat, waar de volgende bus vandaan moest komen. Dan zag ze ook de dame. Die had twee propvolle boodschappentassen tussen haar benen staan. Mevrouw A vroeg zich af hoe ze dat volhield, om die dingen mee te slepen. Ze zagen eruit alsof ze twintig kilo per stuk wogen: pakken vruchtensap, blikken soep en groente, geen lichte boodschappen. En dat op hakken. Zelf had ze die ochtend instappers aangedaan, de enige schoenen waarop ze een hele dag kon lopen. Hoe deden andere vrouwen dat toch – om er zo op en top vrouwelijk uit te blijven zien met pijnlijke voeten van die ongetwijfeld door mannen verzonnen martelwerktuigen? Of lag het aan haar dat zij met hakken altijd het gevoel had dat ze na een paar uur waggelde als een pinguïn?
De bus kwam aanrijden. Mevrouw A stond haastig op. Naast haar tilde de dame haar zware tassen moeiteloos van de grond, om ze vervolgens ook nog eens in één hand vast te houden, terwijl ze met de andere naar haar ov-kaart zocht. Mevrouw A wenste dat zij zoveel kracht in haar vingers had. Ze liet de dame voorgaan. Daarna zocht ze zelf een plekje helemaal achter in de bus. In het voorbijgaan zag ze een man zijn blik langs haar laten gaan. Langs. Zijn ogen dwaalden meteen verder.
Ze plofte neer op een van de achterste stoelen en staarde naar buiten. Ze had toch hakken aan moeten doen.