Showing posts with label doedel. Show all posts
Showing posts with label doedel. Show all posts

Saturday, January 18, 2014

Doedel 65 - fantastiek

Verander één aspect van de ons bekende wereld (b.v. magie bestaat, een natuurwet werkt anders, nachtmerries als huisdieren of aliens zijn geland) en schrijf een fantasy-, sciencefiction- of horrorverhaal van maximaal 500 woorden waar dat verschil een rol in speelt. 

Muizenissen

Daar zaten ze. Op de rand van het bed, vlak bij zijn voeten. Op een rijtje, stil. En hij kon zweren dat ze glimlachten, met die spitse neusjes en lange snorharen. O, ja. Ze glimlachten. Grijnsden. Hun kleine kraaloogjes lieten zijn blik geen moment los. Geluid maakten ze niet. Toch voelde hij dat ze met elkaar communiceerden. Misschien wel telepathisch, het zou hem niet verbazen.
Een zevende muis klauterde het bed op, trippelde over het voeteneind en voegde zich bij de rest. De donkergrijze staart krulde zich om de stang, het puntje ervan ging langzaam op en neer.
Die zevende. Die was anders.
Jos huiverde. Heel voorzichtig trok hij zijn voeten naar zich toe. Onder de deken zag hij de bobbel die hij zelf veroorzaakte steeds verder bij de muizen vandaan gaan. Zes paar ogen bleven naar hem kijken. De zevende muis ging rechtop zitten, met zijn neus in de lucht. Jos slikte, maar hij duwde zichzelf naar achteren, totdat hij rechtop tegen het hoofdeind zat en hij zijn benen naar zich toe kon trekken. Snel sloeg hij zijn armen om zijn opgetrokken benen. De Oppermuis piepte een keer, een nauwelijks hoorbaar geluid. Zijn snorharen trilden. Zijn kleine bovenlip trok hij op, waardoor Jos prima kon zien hoe scherp de tandjes waren die eronderuit kwamen. Driehoekig. Niet de tanden die je bij een muis zou verwachten. Het leken eerder minuscule haaientanden te zijn.
Vanaf de gang klonk getrippel.
Jos boog iets voorover, zodat hij door de deuropening van zijn slaapkamer kon kijken. Het speeksel verdween uit zijn mond.
Op de gang liepen minstens twintig muizen heen en weer. Eén ervan zat rechtop, zijn voorpoten netjes voor zijn lijfje gevouwen, precies zoals Oppermuis op het voeteneind zat. De andere muizen renden om die ene heen. Ze gingen de badkamer in, de tweede slaapkamer die Jos als fitnessruimte gebruikte, de overloop verder op. Liepen ze langs de trap naar beneden? Hij wist het niet.
Als een klein kind trok Jos de deken op tot aan zijn kin. Ergens in de verte hoorde hij een gil, gevolgd door een bons. De buurvrouw. Die had de laatste tijd ook last van muizen.
Oppermuis trok zijn staart van de stang en sprong lenig op het bed. Weer een piepje. De muizen in de gang kwamen tot stilstand. Het rijtje op het bed grijnsde naar Jos, hun tandjes glinsterden in het ochtendlicht.
Op zolder, twee meter boven zijn hoofd, klonk het geluid van een muizenklem die met een klap dichtsloeg. Jos hoorde het. Even keek hij omhoog. Toen hij weer naar de muizen keek, was de helft uit zijn blikveld verdwenen.
Onder de deken kwamen kleine bobbeltjes zijn kant uit.
Snel.
De Oppermuis keek hem aan. Het puntje van zijn staart tikte op de deken.
Na de eerste beet zag Jos pas dat ze ook langs het raam kwamen. Hij gilde. Oppermuis trippelde van het bed, ging naar de vensterbank en bleef daar zitten. Starend. Zijn staart om zijn lijf geslagen.
Grijnzend. Totdat Jos stil lag.

Saturday, November 9, 2013

Doedel 62 - De kortste dag

Op 21 december 2013, de kortste dag van het jaar, komt de zon niet meer op. Schrijf hier een verhaal over van maximaal 500 woorden.

Zonde

Kwijt. Wetenschappers bogen zich erover, de wereld verzonk in chaos. Niet dat het echt opviel, een oorlog meer of minder.
Na enkele dagen waren er mensen die hun leven weer oppakten.
Weer een paar dagen later begon het besef door te dringen dat leven onmogelijk was zonder zon.
Er werd gebeden. Zelfs door verstokte atheïsten, hypocriete idioten die plotseling door hun geloof op hun kop geslagen werden en op hun knieën vielen voordat ze naar bed gingen.
En ik lachte.
Ik lachte tot de tranen over mijn wangen liepen.
Ik viel bijna van mijn stoel toen ik erachter kwam dat er niet alleen meer mensen in God waren gaan geloven, maar dat ook mijn persoonlijkheid op meer plaatsen dan ooit werd verheerlijkt. Ik werd aanbeden! Het aantal zelfmoorden steeg explosief, net als het aantal moorden. Er werd voor mij geofferd. Massaal, kan ik wel zeggen. Idioten.
Ze hebben het nooit begrepen. De bekrompenheid van de mensheid is zo sneu dat het haast een verlossing voor haar is om te verdwijnen. Had ik het zo moeten laten? Wellicht. Maar ach, ik heb mijn lolletje gehad. Bovendien kon ik mijn broer niet meer tegenhouden, nadat hij die absurde bol had teruggevonden. Hij was vastbesloten om het geniepige, moordzuchtige, achterbakse volkje te redden. Redden! Het is uitstel van executie, niets meer dan dat.
Als ik eraan terugdenk, krijg ik weer een lachstuip. Je had ze moeten zien rennen, zo radeloos als ze zich voelden, zo zielig als ze zichzelf vonden. Het is jammer dat niemand het zich kan herinneren. Ik had wel eens willen zien wat ze als verklaring hadden gevonden voor de terugkeer van de zon.
Het was ook zo eenvoudig. Je had erbij moeten zijn, ik weet zeker dat je zou hebben genoten.
Goed, ik ga maar weer eens verder. Er zijn een stel sukkels die hun ziel aan me willen verkopen. Ik denk dat ik de gokverslaafde eens van dienst ga zijn. Hij begrijpt niet waarom hij het benauwd krijgt als het te donker is en hij begrijpt nog veel minder van zijn neiging om te leven alsof ieder moment de zon kan verdwijnen. Voorlopig zal ik me weer op de ouderwetse manier moeten vermaken. Die smeerlap is een mooi begin. Ze zeggen dat ik verdorven ben, maar ik ben werkelijk een heilige vergeleken bij mijn cliënten.
Toch jammer dat ik de boel moest terugdraaien. Eeuwig zonde.

Wednesday, October 30, 2013

Doedel 61 -- Lefgozers

De opdracht van de schrijfdoedel: Schrijf een spannend verhaal van maximaal 500 woorden dat ideaal is om rond een kampvuur te vertellen.

Ah, een halloween-doedel. Heerlijk! Is mijn verhaal ideaal om rond een kampvuur te vertellen?

Lefgozers


Het schijnsel van de zaklamp danste schokkerig heen en weer voor hun voeten. Jayden bleef staan en trok zijn broertje aan zijn mouw.
‘Stil eens.’
Geïrriteerd rukte Daniël zich los. ‘Wát?’ snauwde hij.
Jayden richtte de lichtbundel op een rottende boomstam, enkele meters verderop. ‘Ik hoorde iets.’
‘Schijtluis, echt.’ Daniël deed een poging om de zaklamp af te pakken, maar Jayden sloeg zijn hand weg.
‘Waag het eens.’
Daniël snoof. ‘Gaan we nog verder of blijven we hier wachten totdat er spoken opduiken?’
‘Best.’ Jayden liep verder, met grote passen, zodat zijn broertje bijna moest rennen om hem bij te houden. Hij was een kop groter.
Enkele minuten later knipte Jayden de zaklamp uit. Aarzelend bleef hij voor de oude blokhut staan. De deur hing scheef in de scharnieren, de ruimte achter de deur was een zwart, gapend gat.
‘Schijtluis,’ zei Daniël, maar zijn stem was zacht.
Jayden gaf hem een duw naar de deur. ‘Ga jij dan eerst, lefgozer.’
‘Weet je het zeker? Misschien verander ik wel in een weerwolf als ik naar binnen ga.’
‘Ha, ha. Ik lach me kapot.’ Maar hij kon de neiging niet weerstaan om naar boven te kijken, naar de volle maan die als een enorme satellietschotel boven de bomen hing. Een rilling kroop over zijn rug. ‘Jij moest hier zo nodig heen,’ herinnerde hij zijn broertje.
‘Kom op zeg. Heb je de camera?’
‘Ja, wat dacht jij dan?’ Het toestel brandde in zijn jaszak. Het liefst had hij Daniël de camera in zijn handen geduwd om er zelf vandoor te gaan. Nooit had hij zich zo overduidelijk een stadsjongen gevoeld. Hoe het kon dat zijn drie jaar jongere broer nergens last van had, kon hij niet begrijpen. Maar die scheet in zijn broek als hij een presentatie had.
‘Geef hier. Jij hebt de zaklamp al.’
Onmiddellijk gaf Jayden hem de kleine digitale camera. Daniël zette het toestel aan, bestudeerde hem een ogenblik en leek toen te beslissen dat hij beter geen geintjes kon uithalen. Zwijgend duwde hij de deur  open. Jayden ging achter hem aan de hut in.
‘Hier moest het toch zijn? Meteen in de eerste kamer?’
Jayden knikte, besefte dat hij naar een rug stond te kijken en schraapte zijn keel. ‘Ja.’
‘Ik zie niets. Ja, zooi.’
Ooit hadden er ramen in de kozijnen gestaan, maar die waren lang geleden kapot gegaan. Het maanlicht scheen door de gaten in de muren. Zonder het licht van de zaklamp konden ze alles prima zien.
‘Wat is dat?’ Jayden wees naar een hoek van de kamer. Daar lag een hoop bladeren.
Daniël liep erheen, bukte en slaakte een kreet. Hij sprong omhoog alsof hij door een wesp was gestoken. ‘Shit!’
‘Wat?’
‘Jayden! Achter je!’
Jayden draaide zich geschrokken om, maar het was vooral verbazing die door hem heen trok. ‘Maar hij zei dat het een lijk was,’ wist hij uit te brengen.
Daniëls vinger drukte op de camera. Een flits verlichtte de blokhut.
Buiten vloog een vogel weg toen de hakbijl suizend neerkwam.

Saturday, March 9, 2013

Doedeltje!


Vasthoudend

De zwaan stond in het midden van de straat. Zomaar ineens, ’s ochtends vroeg, wit, groot, statig. Een levende, prachtige zwaan die voor geen auto uit de weg ging en die haar kop speels schuin hield toen het getoeter van de eerste auto weerklonk. Ik was één van de eersten die naar het dier toe ging. Ik wilde haar uit de weg jagen, maar ze trok zich weinig van me aan. Even keek ze me aan, toen ik ‘Sjoe!’ riep. Haar hals trok ze in een boogje, haar kop nog wat schever. Als ik niet zeker wist dat een zwaan me moeilijk kon uitlachen, zou ik toch écht hebben gedacht dat ze me wel degelijk belachelijk stond te maken.
Roepen hielp niet.
Schelden ook niet.
Ten einde raad bukte ik me om het beest op te pakken. Ik was me wel van het gevaar bewust – zwanen zijn behoorlijk groot en als je ze verkeerd pakt kunnen die vleugels loeihard aankomen – maar ik had een plan van aanpak. Ik zou mijn armen om haar middel slaan en zo haar vleugels blokkeren. Dacht ik. Zodra ik mijn linkerhand op haar lijf legde, was het gedaan. Ik zat vast. Dat voelde ik direct; mijn vingers tintelden meteen toen ik haar aanraakte, mijn hand werd koud alsof ik die in een emmer ijsblokjes had gestoken en ik dacht er niet eens meer aan om ook mijn andere hand erbij te leggen. Dus daar stond ik, gehurkt naast die zwaan, mijn linkerhand vastgeplakt aan haar lichaam. Ik keek in die alwetende wijze zwanenogen. Ze had haar kop nu vlak voor mijn gezicht hangen. Haar snavel centimeters van mijn neus. Ze straalde een serene rust uit en leek totaal niet onder de indruk van wat haar overkwam.
Freek, de buurman, kwam naast me staan. Hij trok zijn broek op – op de één of andere manier heeft hij altijd een te grote broek aan – en vroeg me waar ik mee bezig was.
‘Ik zit vast,’ zei ik.
‘Doe niet zo raar,’ zei hij. Hij bukte, pakte mijn linkerhand – en verstijfde. Zijn ogen werden groot. Hij staarde naar me. ‘Godverdomme,’ zei hij zacht. Hij probeerde op te staan, maar hij kwam niet omhoog. Zijn vingers raakten de vleugel en kwamen niet meer los.
De zwaan sloeg haar vleugels één keer uit. Freek en ik bewogen mee, met kleine gilletjes. Hij net zo goed als ik. Toen stond ze weer stil.
Daarna was er niemand meer die ons aanraakte. Er zit inmiddels ook een schaar aan de zwaan vast. Alleen de punt raakt haar veren, maar hij blijft rechtop staan.
Af en toe beweegt de zwaan. Ze gaat steeds dichter naar de grote vijver aan het eind van de straat. Ik vraag me af wat er gebeurt als we het water in gaan. Misschien raken we dan los. Of misschien niet.

Thursday, October 11, 2012

Thuis


Doedel #24 – wie of wat is voor jou thuis? Schrijf dit op in max. 250 woorden in de vorm van herinneringen (mag ook fictief).

Vanuit de keuken komt de geur van verse koffie, vergezeld van stemmen die voor een buitenstaander waarschijnlijk klinken alsof er een gigantische ruzie is uitgebroken – maar dat is normaal, bij ons. Harder praten dan nodig is, iedereen wil het hoogste woord hebben en een ander heeft nooit gelijk. Toch klinkt er gelach. Ook dat is zoals het bij ons gaat. Een gesprek kronkelt harder dan een opgefokte slang, schiet van discussie naar moppen en weer terug, terwijl de koffie altijd klaar staat en de koekjestrommel niet onverdienstelijk op tafel is gezet.
Koffie en koekjes. Meestal een gezellig gesprek, soms ook niet, maar hé – waar gaat dat anders? Onder mijn voeten een pas gestofzuigde vloer, een deurmat, daarnaast meerdere paren schoenen, sloffen en klompen. Ik kan mezelf bijna zien, lang geleden, met mijn pony. Die had ik meegenomen de hal in, gewoon om voor één keer in mijn leven eens te kunnen zeggen dat er écht een paard in de gang stond. Toen lagen er nog geen tegels in die hal, in het huis van mijn ouders.
Thuis; de betekenis is betrekkelijk. Als het leven verder gaat, verandert je “thuis” ook.
Ik typ dit aan tafel in mijn eigen huis, terwijl de waterkoker zijn werk doet. Ik drink minder koffie dan vroeger, maar als er visite komt, dan zorg ik wel voor koekjes. Laat dat maar aan mij over.

Friday, October 5, 2012

Dierendagdoedel - Bokito

De opdracht van schrijfdoedel #23 was:
Schrijf een verhaal van max. 500 woorden vanuit het perspectief van één van de volgende dieren:
- eendagsvlieg
- lemming
- kikkervisje
- Bokito

Ik vond Bokito de interessantste. Daaruit kwam dit verhaaltje voort:


Ik weet dat ze daar staan: de bezoekers. Die vrouwen, respectloos, lachend, wijzend. Hun mannen, die geen enkele macht over hun vrouwtjes hebben. Ze noemen zichzelf wel mannen, maar ze zijn volgens mij vergeten wat het is om man te zijn; hoe het is om hun vrouwtje te beschermen, om haar respect te krijgen en om haar te eren. Geen mannetje daar achter die ruit zou bij mij in de buurt mogen komen. Mijn vrouwtjes zouden op hen spugen. Lafaards zijn het, stuk voor stuk. En die vrouwtjes zijn niets waard.
Die ene keer dat ik ontsnapte, heb ik gemerkt hoe ze wérkelijk zijn. Laf. Dat zei ik net ook al. Ik zou willen dat ik ergens anders heen kon, ergens waar ik me niet voor aap hoefde te zetten voor mensen die niets waard zijn. Ze denken dat ze zoveel beter zijn, maar dat is niet waar. Ik ruik hun ontzag, als ik dichterbij het glas kom. In werkelijkheid zijn die bezoekers gewoon zoals de jongeren in mijn groep – dom en onwetend.
Laat ze daar maar staan. Laat ze maar genieten van hun miserabele levens, laat ze maar denken dat zij het zoveel beter hebben dan ik. Mijn leven is goed. Ik word verzorgd door mijn vrouwtjes, door mijn kinderen én door mijn verzorgers. Ik vraag me af hoeveel mensen dat kunnen zeggen.
Sukkels achter glas.
Ik weet wel dat ze er zijn, maar ik draai mijn rug naar ze toe. Meer verdienen ze niet.

Tuesday, September 25, 2012

Grafschennis

De opdracht van schrijfdoedel 21 was; schrijf een verhaal (max. 500 woorden) waarin een kerkhof een belangrijke rol speelt.

Hieronder mijn korte verhaaltje.


Grafschennis

Irma verstijfde. Haar adem ontsnapte uit haar mond en liet een kleine, witte wolk achter. De kou die seconden daarvoor nog haar gedachten had beheerst, leek haar nu niet meer te deren. Ze staarde naar de grafsteen van haar dochter, volkomen uit het veld geslagen.
Iemand had het graf vernield. De grote steen was met flink wat kracht doormidden geslagen, de bovenste helft lag naast het graf als een trieste herinnering aan de vluchtigheid van het leven. Niet alleen van het gewone leven, maar ook het leven na de dood was eindig. De rust werd bruut verstoord als iemand besloot om de laatste rustplaats van een ander te vernietigen.
Op de halve grafsteen lagen blaadjes van de bos rozen die Irma de dag ervoor bij het graf had achtergelaten. De bloemen waren verspreid over het graf, alsof iemand ze er met opzet overheen gestrooid had.
Trillend op haar benen kwam Irma dichterbij. Ze veegde de tranen van haar wangen, tranen die stil naar beneden gleden.
‘Mevrouw Groenewegen?’
Verdoofd keek ze om. Er kwam een man in een groene jas op haar aflopen. In zijn kleine snor prijkten ijsdruppeltjes. Pas toen hij naast haar stond, kon ze zijn naam uit haar geheugen opdiepen. Cor, de beheerder van het kerkhof.
‘Wie heeft dit gedaan?’ vroeg ze.
‘Pardon? Is er iets mis?’ Cor keek naar het graf.
Irma volgde zijn blik en deinsde verschrikt terug. Ze greep hem bij zijn bovenarm om te voorkomen dat ze zelf om zou vallen.
‘Gaat het wel goed?’ vroeg Cor bezorgd.
Irma keek hem met grote ogen aan, liet haar blik terugschieten naar het graf, keek weer naar Cor. ‘Dit kan niet.’
‘Misschien kunt u beter even gaan zitten…’
Irma schudde haar hoofd. Ze liet hem los, sloeg haar armen over elkaar en schudde haar hoofd een tweede keer. ‘Nee, het gaat wel.’
Cor bleef even aarzelend staan, maar liep toen toch verder. Hij keek een keer achterom, fronsend, duidelijk niet op zijn gemak.
Irma bestudeerde de grafsteen, die gewoon helemaal heel was, zoals altijd. De bos rozen stond ernaast, in de vaas. Er was niets vernield, maar er was wel iets bijgekomen. Op de steen, geschreven in rijp. Alsof de natuur haar een boodschap had gestuurd. Cor had dat duidelijk ook niet gezien, anders had hij daar wel op gereageerd, maar Irma zag het wel. Zelfs nadat ze haar ogen tien seconden had dichtgehouden, zag ze het nog.
‘Zoek geen leven in mijn dood,’ stond er over de inscriptie op de steen geschreven, in witte rijpletters.
Irma slikte de brok in haar keel weg. Heel even leek de kleine foto van haar dochter op de steen te bewegen, ze leek haar hoofd te schudden. Irma wendde haar blik af. Zodra ze opnieuw naar het graf keek, was alles weer normaal, maar Irma twijfelde niet aan wat ze gezien had. Ze had de boodschap begrepen.
De bos rozen van die dag zou ze naar haar moeder brengen. Iedere dag het graf bezoeken was niet gezond.

Saturday, September 1, 2012

De Minnares

De doedel van deze week was: Een man neemt zijn vrouw mee naar de bioscoop. Zodra de film begint komt onverwacht de minnares van de man naast hen zitten.

(En hieronder mijn uitwerking:)


Rens’ hand was net onderweg naar zijn mond om wat popcorn naar binnen te werken, maar zijn hand bleef halverwege in de lucht hangen. Hij staarde naar Sabrina, maar zij ging doodleuk pal naast hem zitten. Ze sloeg haar benen nonchalant over elkaar, waardoor haar korte rok omhoog kroop en er meer van haar benen te zien was dan er voor een goede fantasie nodig was.
Vreet je popcorn op! Dadelijk ziet Carijn het!
Snel propte Rens de popcorn in zijn mond. Hij kauwde verwoed, draaide zijn hoofd naar links en glimlachte naar Carijn. Carijn had echter niets door. Haar ogen waren strak op het doek gericht, haar mond hing een halve centimeter open. De film was spannend.
Rens vond er niets spannends aan. De realiteit had hem ingehaald. Sabrina’s linkerbeen wreef zacht tegen het zijne. Hij trok zijn been met een korte ruk opzij. Carijn fronste kort haar wenkbrauwen, keek langs hem naar de knappe vrouw aan zijn rechterkant en richtte toen haar ogen op die van hem. Ze boog zich voorover.
‘Ken je haar?’ vroeg Carijn zacht.
Ook al was haar stem nog zo zacht, Rens hoorde de dreiging erin. Hij schudde zijn hoofd, maar daar nam Carijn geen genoegen mee. Rens volgde haar blik. De film was vergeten. Ze keken met z’n tweeën naar Sabrina.
Sabrina lachte hen poeslief toe. ‘Goede film hè.’
Rens knikte. Hij legde zijn hand op het bovenbeen van Carijn, draaide zijn rug naar Sabrina en kuste zijn vrouw. Carijn verstijfde even, maar toen hij wilde terugtrekken duwde ze haar mond tegen de zijne. Ze wreef over zijn kruis, beet zacht in zijn onderlip en haalde daarna pas haar lippen van zijn mond. Ze glimlachte.
‘Zullen we verder kijken?’ vroeg Rens. ‘Of wil je naar huis?’
Carijn legde haar hand in zijn nek en trok hem naar zich toe, maar niet om hem opnieuw te zoenen. Ze legde haar lippen tegen zijn oor. ‘Ik weet ineens waar ik haar van ken,’ zei ze. ‘Ze is patiënt van dokter Stieffels. Ze heeft hiv, wist je dat?’
Rens’ mond werd kurkdroog. Hij kon niet meer bewegen. De vingers van zijn vrouw groeven zich pijnlijk hard in zijn nekhuid. Op het bioscoopscherm werd de hoofdpersoon door zijn vrouw met een mes vermoord.
‘Ik heb me laten testen, Rens,’ ging Carijn verder. Haar stem klonk kouder dan de stem van de moordlustige hoofdpersoon in de film. ‘Ik heb het ook.’ Ze liet hem los.
Rens deinsde terug. Hij keek met grote ogen naar zijn vrouw. ‘Nee…’ Hij stond op, trok Sabrina ook overeind en wees met een beschuldigende vinger naar Carijn. ‘Ik wil scheiden. Haar tweelingzus heeft hiv, Carijn. Ik ben niet degene die jou besmet heeft. Je hebt het over haar tweelingzus.’ Snel wisselde hij een blik met Sabrina. Die was te geschrokken om te protesteren, en hij liep met haar de bioscoop uit.
Carijn bleef alleen achter.
Op het scherm werd de moordenares gearresteerd.

Thursday, August 23, 2012

Schrijfdoedel!

Doedel #17: Als je in een café het toilet binnenstapt, zie je een met lipstick geschreven bericht op de spiegel. Het bericht is voor jou bestemd.


Ik verstar. De deur valt achter me dicht, waardoor het geroezemoes van het café gedempt wordt. Langzaam stap ik naar de spiegel toe.
Caroline, help!
‘Wat…’ mompel ik. Ik steek mijn hand uit en raak de spiegel aan. Mijn vinger trekt een veeg door help, waardoor de p er vreemd langgerekt uitziet. Snel trek ik mijn hand weer terug, maar ik kan mijn ogen niet meer van het glimmende spiegeloppervlak afhalen.
Er zit iemand in de spiegel.
Ik buig me voorover, want ik moet me vergissen. Dit moet mijn eigen spiegelbeeld zijn, waarschijnlijk zie ik het gewoon verkeerd. Dat zal vast door de vreemde, schemerige lichtval in het toilet komen.
Dan komt ze dichterbij. Zij, de vrouw aan de andere kant van de spiegel. Ze drukt haar hand tegen de binnenkant, alsof het geen spiegel is, maar een ruit. Ik deins terug, ik hap naar adem en struikel over mijn eigen voeten. Net op tijd weet ik me vast te grijpen aan de deur van een toilethokje. Dan loop ik weer naar de spiegel, behoedzaam, met mijn hart bonzend in mijn keel, maar te nieuwsgierig om mezelf te kunnen bedwingen.
Er zit écht iemand in de spiegel, daar hoef ik niet over te twijfelen. De vrouw kijkt me wanhopig aan. Ze is blond, net als ik, maar haar huid is lijkbleek en haar ogen zijn donker. Zelf heb ik een zongebruinde huid en lichtblauwe ogen. Met mijn handen leun ik op de wasbak, mijn gezicht breng ik dichter bij de spiegel. Fronsend probeer ik te begrijpen wat de vrouw me probeert te vertellen. Haar hoofd is de helft zo klein als mijn spiegelbeeld zou moeten zijn, als de spiegel dat had laten zien. Ze schreeuwt tegen me en ik schrik voor de tweede keer als ze ineens met beide handen tegen het glas slaat. Een zachte bonk weerklinkt.
Ik staar haar aan. Zij is stilgevallen, zowel in haar bewegingen als in haar geschreeuw. Haar blik is hoopvol. Ze weet het ook. Ik kon dat horen.
Ik denk geen moment na over de boodschap op de spiegel, die ineens is verdwenen. Mijn vermogen tot logisch nadenken heb ik de laan uitgestuurd zodra ik iemand anders dan mijn spiegelbeeld in die spiegel zag. Logica bestaat voor mij niet meer. Snel trek ik mijn pump uit. Die vrouw moet geholpen worden, ze moet uit die spiegel en ik ben de enige die dat kan. Zo hard als ik kan, sla ik met de hak van mijn pump tegen de spiegel. Tot mijn verbazing gaat de hak niet tégen de spiegel aan, maar er doorheen. Ik zie het gebeuren, maar ik ben niet meer op tijd om mijn arm terug te trekken.

Nu kijk ik naar het damestoilet, vanaf mijn kant van de spiegel. Ik wacht. Ik wacht, totdat ik iemands naam ken. Totdat ik mijn lippenstift kan gebruiken om, in spiegelbeeld, op mijn kant van de spiegel te schrijven. Alleen een naam opent de doorgang.
Er komen hier genoeg vaste klanten…