Thursday, June 18, 2015

Haiku

wind fluistert woorden
door volgroene bladeren
vluchtige klanken

Sunday, June 14, 2015

Bliter’s Wrock druipt af

Ze kijken elkaar aan, die twee. De man moet omhoog kijken, omdat hij, net als ik, niet groot genoeg is om op ooghoogte met Bliter’s Wrock te staan. Maar het overwicht ligt niet bij het enorme monster.
‘Ga weg,’ is het enige wat de man zegt.
Bliter’s Wrock lijkt te krimpen onder het geluid van die stem.
Ik begrijp hoe hij zich moet voelen.
De priemende blik van het personage jaagt Bliter’s Wrock naar buiten. Ik kan slechts toekijken. Ik zie alleen de rug van de man, maar ik weet heel goed hoe die blik is. Het verbaast me dan ook niet dat Bliter’s Wrock daadwerkelijk krimpt, als hij zich terugtrekt. Van zijn enorme afmetingen blijft niet veel over. Eerst krimpt hij genoeg om door de keuken te kunnen, dan wordt hij nog korter, zodat hij door de achterdeur kan, en als hij in de tuin is, is hij ver genoeg gekrompen om lachwekkend te zijn.
Mijn personage draait zich niet naar me om. Hij legt slechts zijn hand op het gevest van zijn zwaard.
Ik haal diep adem. In de tuin smelt Bliter’s Wrock, totdat er slechts een modderpoeltje overblijft. Hij is niet dood, of verslagen, maar voorlopig is hij wel weggejaagd. Angstig koos hij het hazenpad, verdreven door het bevel van een man die half zo groot is. Even denk ik erover om hem achterna te gaan, want ik ben er nog niet helemaal uit of dit nu een verbetering is. Nu ben ik immers achtergebleven met die man in mijn woonkamer.
Ik wacht niet af. Hij hoeft mij niet aan te kijken en hij hoeft ook niets tegen me te zeggen om duidelijk te maken wat hij wil. Daar ken ik hem te goed voor. Dat krijg je, als je iemand zelf hebt verzonnen. Zo iemand ken je door en door.
Ik schrijf. Als ik enkele minuten later opkijk, is mijn woonkamer weer van mij.
Voorlopig.

Monday, June 8, 2015

Bliter’s Wrock

‘Damn, wat ben jij groot. En lelijk!’ Ik kijk hem eens goed in zijn ogen. Daarvoor moet ik omhoog kijken, want die ogen zweven ergens op tweeënhalve meter hoogte. Het ding neemt de halve kamer in beslag met zijn enorme gestalte. Doordat het plafond te laag voor hem is, staat hij zodanig gebukt dat het net is alsof hij een bochel heeft. Zijn ogen, kleine rattenoogjes in het midden van de grote zwarte kop, kijken me glinsterend aan.
Ik noem hem Bliter’s Wrock. Niet bepaald origineel, ik weet het, maar ik moet het er maar mee doen. Of hij moet het er maar mee doen.
‘Grmblgrmebl,’ gromt hij.
‘En je stinkt,’ zeg ik.
‘Aaargh!’ Hij spert zijn muil open en stoot een kreet uit. Slijm vliegt door de kamer. Gadverdamme. Kan ik dadelijk nog gaan dweilen ook.
Een van zijn poten staat op mijn laptop. De nagel van een van de klauwen blijft hangen op de x, waardoor mijn hele document nu volstaat met virtuele kusjes. De x-jes vliegen over het scherm.
Bliter’s Wrock buigt voorover, totdat zijn natte neus de mijne raakt en ik in die onmetelijke oneindigheid van zijn kleine rattenoogjes kan verdwalen. Ik weet wat hij bedoelt. Hij staat in mijn kamer, als een wolharige mammoet uit de prehistorie, een enorm gevaarte dat er is maar er niet kan zijn. Toch is-ie hier. Stinkend en wel. In levende lijve is hij hier om de boel te blokkeren.
De kleine gaat staan in haar box en lacht naar het grote monster. Bliter’s Wrock knippert. Kijkt mij nog eens aan. Snuift dan. Eindelijk haalt-ie zijn klauw van mijn toetsenbord. Ik duw met een wijsvinger zijn ruwe, schubbige poot opzij, en wring me langs hem. Snel typ ik dit bericht. Ondertussen komt zijn greep, zijn mentale overwicht, alweer terug.
‘Laat me met rust,’ zeg ik, maar daarop giechelt het ding slechts. Ik kijk hem kwaad aan. Zijn schaduw valt over mijn beeldscherm heen.
Als de kleine een knuffel over de rand van de box gooit, grist Bliter’s Wrock mijn laptop onder mijn vingers uit. Zijn geduld is op. Dit was het dan voor vandaag.
‘Lelijke lelijkerd,’ bijt ik hem toe, en ik pers me langs zijn harige rug om naar de keuken te kunnen. Ik ga wel afwassen. Misschien kan ik morgen weer wat schrijven.

Tuesday, May 26, 2015

Twee vrouwen

Twee vrouwen


Mevrouw M schoof een eindje opzij. Waarom waren die bankjes in die bushokjes altijd zo klein? Was dat met opzet zo gedaan? Er zat vast een ontwerper achter die graatmager was en nooit zelf boodschappen had gedaan. Zéker niet met het openbaar vervoer. Ja. Zo’n enge, magere lat, zo’n gladjanus met een pak aan en gepoetste schoenen, die de hele dag over z’n bureau gebogen dingen bepaalde voor de – nooit zo genoemde, maar wel bestaande – lagere klasse. Die mensen die hij niet kende. Die mensen waar hij op neerkeek. Het was een man, daar was mevrouw M zeker van. Dit soort dingen werden altijd door mannen verzonnen. Door mannen met geld.
Steels liet mevrouw M haar blik opzij gaan. De dame voor wie ze naar het uiterste puntje van het bankje was geschoven, knikte haar toe en ging zitten alsof ze ieder moment naar beneden kon storten. Voor zover mevrouw M wist, kon dat ook wel eens zo zijn. Metaalmoeheid, losse schroeven, een bouwvakker die had staan slapen of die domweg de instructies niet had begrepen omdat die in een taal waren gegeven die hij niet verstond. Het zou dus zomaar kunnen gebeuren dat het pesterig smalle en korte bankje ineens in elkaar zakte. Mevrouw M gaf haar tijdelijke buurvrouw geen ongelijk dat ze zo op het randje bleef zitten.
‘Hij reed net weg,’ zei mevrouw M. Het was totaal overbodige informatie, feitelijk. Zolang er geen bus voor hun neus stond, was er geen bus. Punt. Het was niet iets wat je over het hoofd kon zien. Of de andere bus nou net weg was of al lang en breed op de volgende halte, dat maakte in hun geval niets uit. Het veranderde niets aan wat zij moesten doen: wachten op de volgende. ‘Reed zo weg, ook al zag hij me zwaaien,’ zei ze er nog achteraan. De dame keek op haar horloge. Een eenvoudig, maar sierlijk horloge aan een sierlijke pols met een sierlijke hand en sierlijke vingers. Sommige mensen hadden meer geluk dan andere. Mevrouw M keek even naar haar eigen vingers. Eeltig, veel te dik. Worstjes.
‘Ik vind dat zo erg als ze dat doen,’ zei de dame.
Zelfs een sierlijke stem.
‘En dan tien minuten bij de volgende halte moeten blijven staan,’ ging de dame verder, ‘omdat ze te snel zijn gegaan.’
‘Ja, precies!’ zei mevrouw M. Daarna werd het weer stil.
Mevrouw M keek voor zich uit, maar af en toe gleden haar ogen naar de voeten van de dame. Smalle voeten in gemakkelijke instappers. Zelf had ze die ochtend schoenen met een lage hak aangetrokken. De enige nette schoenen die ze had. Haar enkels knelden en haar tenen schuurden, maar het zag er vrouwelijker uit. Als ze ook nog instappers aandeed, bleef er zeker niets van haar vrouwelijkheid over. Maar de dame kon waarschijnlijk op blote voeten rondrennen in een vuilniszak en er nog als Doutzen Kroes uitzien. Wat moest het heerlijk zijn om zoveel zelfvertrouwen te hebben.
De dame stond gracieus op.
Mevrouw M hees zich omhoog. Ze bukte zich om haar zware boodschappentassen op te pakken, wist ze in één hand te frommelen en diepte haar ov-kaart op uit haar jaszak. Toen de bus aankwam, liet de dame haar geduldig voorgaan. Mevrouw M zag dat de dame helemaal achterin ging zitten. Zelf liep ze maar tot halverwege. Ze plofte neer, haar voeten schrijnend van de korte wandeling door het gangpad van de bus. Stomme schoenen.

Mevrouw A ging minder snel lopen toen ze iemand in het bushokje zag zitten. In de verte was de achterkant van de bus te zien. Hij ging net de hoek om.
Hoe kon het ook anders.
Op het bankje in het bushokje zat een dame te wachten. Ze schoof een stukje op, ook al paste mevrouw A er makkelijk naast. Zo breed was ze niet. Was ze maar wat breder! Normale heupen, wat vollere borsten – maar nee, zelfs op haar dertigste bleef haar figuur meisjesachtig smal. Ze wierp een steelse blik opzij. De dame naast haar had vlees op haar botten. Ze was een mooie vrouw, een échte vrouw, iemand die vast en zeker wist hoe ze dingen moest aanpakken. Mevrouw A bleef op het puntje van de bank zitten, een oude gewoonte. Eén keer was ze op een bankje gaan zitten waarop iemand iets had achtergelaten. Wat het was, daar kwam ze nooit achter. Een gesmolten snoepje, waarschijnlijk, een ijsje dat had gedrupt, zoiets. Sindsdien ging ze niet meer zomaar op een openbaar bankje zitten. En ze voelde zich te belachelijk om met een zakdoekje eerst een zitplaats schoon te vegen.
‘Hij reed net weg,’ zei de dame.
Mevrouw A knikte. Dat had ze gezien.
‘Reed zo weg, ook al zag hij me zwaaien.’
Mevrouw A keek op haar horloge. Nu zou de bus pas weg mogen rijden. ‘Ik vind dat zo erg als ze dat doen,’ zei ze. En dat vond ze ook echt. Natuurlijk, een buschauffeur kon niet voor iedereen wachten, maar meestal reden ze weg als ze nog tijd over hadden. Ze had zelfs eens meegemaakt dat een buschauffeur extra hard door de wijk reed, omdat hij dan halverwege zijn dienst snel bij zijn bakker naar binnen kon schieten om een brood te halen. Een brood! Dat verzon je toch niet! ‘En dan tien minuten bij de volgende halte moeten blijven staan,’ ging ze verder, ‘omdat ze te snel zijn gegaan.’ Waarom zei ze dit? Maar wat moest ze anders zeggen? De dame vond haar vast een domme doos. Zo’n bakvis. Meestal werd ze voor bakvis aangezien, ook al was ze oud genoeg om de moeder van haar eigen bakvis te zijn, maar daar werd niet naar gekeken.
‘Ja, precies!’ zei de dame.
Daarna viel er een stilte.
Mevrouw A keek voor zich uit. Af en toe wierp ze een blik opzij, naar de andere kant van de straat, waar de volgende bus vandaan moest komen. Dan zag ze ook de dame. Die had twee propvolle boodschappentassen tussen haar benen staan. Mevrouw A vroeg zich af hoe ze dat volhield, om die dingen mee te slepen. Ze zagen eruit alsof ze twintig kilo per stuk wogen: pakken vruchtensap, blikken soep en groente, geen lichte boodschappen. En dat op hakken. Zelf had ze die ochtend instappers aangedaan, de enige schoenen waarop ze een hele dag kon lopen. Hoe deden andere vrouwen dat toch – om er zo op en top vrouwelijk uit te blijven zien met pijnlijke voeten van die ongetwijfeld door mannen verzonnen martelwerktuigen? Of lag het aan haar dat zij met hakken altijd het gevoel had dat ze na een paar uur waggelde als een pinguïn?
De bus kwam aanrijden. Mevrouw A stond haastig op. Naast haar tilde de dame haar zware tassen moeiteloos van de grond, om ze vervolgens ook nog eens in één hand vast te houden, terwijl ze met de andere naar haar ov-kaart zocht. Mevrouw A wenste dat zij zoveel kracht in haar vingers had. Ze liet de dame voorgaan. Daarna zocht ze zelf een plekje helemaal achter in de bus. In het voorbijgaan zag ze een man zijn blik langs haar laten gaan. Langs. Zijn ogen dwaalden meteen verder.
Ze plofte neer op een van de achterste stoelen en staarde naar buiten. Ze had toch hakken aan moeten doen.

Monday, March 16, 2015

Huishoudelijke perikelen

Af en toe moet je een strijkijzer wel eens schoonmaken. Zeker als je net even op de verkeerde stand op de verkeerde plaats van dat ene topje hebt staan strijken en je dus een mooie felrode streep op je strijkijzer hebt staan. Rood, ja. Niet handig als je ook nog spierwitte overhemden moet strijken.

Dus deze huisvrouw ging haar strijkijzer schoonmaken.

Ik had daar toevallig pas geleden een HG strijkijzer-schoonmaak-ding voor gekocht. 

Dit spul: 


Ik dacht dat dat handig zou zijn.
Ik dacht waarschijnlijk ook dat IK er HANDIG GENOEG voor zou zijn.

Dit is het moment om me even uit te lachen. Natuurlijk ben ik daar niet handig genoeg voor! 

Na zorgvuldig de gebruiksaanwijzing op de zijkant van het pakje te hebben gelezen, zette ik keurig mijn strijkijzer aan op standje "zijde". Vervolgens haalde ik de "staaf" uit de verpakking, ik helde het strijkijzer licht voorover (godzijdank had ik eraan gedacht om de stoom-functie uit te zetten) en ging enthousiast aan de slag. 

Wat blijkt? 

Dat ding SMELT!

Had ik daarop gerekend? Nee! Natuurlijk niet! Dat weet ik toch niet! Weet ik veel wat het voor iets is! Hadden ze er niet even een waarschuwing op kunnen zetten? Iets als "leg er een doek onder" of zo?

Dus ja, ik had het spul nu op het strijkijzer zitten, maar dat witte goedje droop natuurlijk wél naar beneden. OP MIJN TAFEL. Nou dáár was ik lekker mee. Had ik witte kwakjes op mijn tafel liggen. En je snapt zelf wel dat dat spul, zodra het niet meer warm is, meteen weer STOLT.

O, hoe fijn, witte, gestolde kwakjes smurrie op de eettafel.

Strijkijzer weer uitgezet, schone vaatdoek gepakt, natgemaakt en strijkijzer schoongemaakt. En de tafel deels schoongekrabd met het bijgeleverde borsteltje (kwam die in ieder geval nog van pas) en vervolgens ook schoongemaakt met de natte vaatdoek. Ik moet toegeven: het strijkijzer glimt wel mooi. Maar het rood ging er niet wonderbaarlijk makkelijk af en de rest van de vlekken (ooit moet ik ergens een broek hebben gehad waar een strijkijzerafdruk in stond volgens mij) die zitten er nog op. Wel iets minder groot dan het was. Maar of dat nou komt door mijn gepoets met een simpele vochtige doek of door het staaf-avontuur, zou ik niet durven zeggen.

Ik heb het avontuur met de smeltende witte staaf maar niet herhaald. Misschien een andere keer. In ieder geval leg ik er dan wel iets onder. 1 geluk: ik heb dit niet op de strijkplank geprobeerd. 

Thursday, March 12, 2015

Soms houd ik me in

Er zijn van die dingen waarop je gewoon NIET moet reageren. Geen geringe opgave voor iemand zoals ik, om mijn mond te houden. Echt niet. Zelfs als ik met "mond houden" eigenlijk bedoel dat ik me moet inhouden achter m'n pc. Soms voel ik gewoon dat brandende, jeukende, vervelende gevoel in mijn vingers, die innerlijke drang, die bijna onweerstaanbare neiging om toch...

Maar nee.
NEE.
Niet doen.

Dat krantenartikeltje, dat niet op iedereen van toepassing is. Niet op reageren.
Die ene post op Facebook, zo'n "pot-verwijt-de-ketel"-post. Niet op reageren.

O, Facebook. Gij broednest van mooimakerij, politieke uithangborden, verkeerde interpretaties ende maaltijdfoto's.

Voordat er internet was, kon je jezelf nog eens verspreken in de plaatselijke kroeg of op een verjaardag. Iedereen wist dan wie het zei. Dan kreeg je een "heb je haar weer" of een paar rollende ogen, misschien werd iemand kwaad, dat was dan jammer. Maar nu? Internet heeft de schijn van anonimiteit, waardoor het schijnbaar makkelijker lijkt om er online iets "uit te flappen" dan dat het vroeger "in real life" was.

Nou, ik flap niet.
Niet als ik me kan inhouden, bedoel ik dus. Zelfs niet...
... nee.
Zelfs dan niet.
Tenzij ik het er natuurlijk gewoon zomaar... uitflap.

Friday, March 6, 2015

Toekomstbeeld

Je leest wel eens een krantenbericht waardoor je meteen horrorscenario's in je hoofd krijgt. Onderstaand verhaal is geïnspireerd door dit krantenartikel: Alle baby's naar de opvang 
Het is natuurlijk maar een verhaaltje, en zoiets zal nooit gebeuren... toch?


Toekomstbeeld

De baby huilde. Steeds weer duwde ze de fles weg die de zuster haar gaf. Haar handjes grepen naar haar moeder, die in de deuropening van de kamer stond en op haar nagel beet.
‘Kom, dit is niet goed voor het kleintje,’ zei de tweede zuster.
De moeder keek naar haar kind. ‘Kan ik haar niet aanleggen?’
‘Nee, nee,’ zei de tweede zuster. Ze legde een hand op de schouder van de moeder. ‘De speentjes van tegenwoordig zijn perfect gemaakt om de stand van de kaakjes niet nadelig te beïnvloeden. En zo kunt u ook geen spruw of borstontsteking krijgen en uw kindje kan ook eens door een ander worden gevoed. Dat is beter voor haar ontwikkeling.’
De moeder knikte, maar haar ogen bleven op haar inmiddels krijsende kind gericht. ‘Maar ik wil het graag zelf doen. Ik vind het niet erg…’
De zuster die het kindje probeerde te voeden, keek op. ‘De overheidsprogramma’s zijn zwaar bevochten, mevrouw. De beste psychologen en pedagogen zullen met uw dochtertje werken. Hebt u daarvoor geleerd?’
‘Nee.’
‘Kom,’ zei de tweede zuster weer.
‘Maar kan ik haar dan niet nu…’
‘U moet zich niet zo veel aan uw kindje hechten,’ zei de eerste zuster streng. ‘Dat is niet goed voor u. Hoe moet ze dan ooit zelfstandig worden? Gaat u nu maar lekker beneden uitrusten, dan zorgen wij voor uw kleintje. Als ze straks in haar eigen bedje lekker ligt te slapen, kunt u even kijken.’
De moeder sloeg de hand van de tweede zuster weg. ‘Ik wil haar zelf voeden. Daar zijn mijn borsten voor gemaakt. En ik wil haar zelf in bed leggen. En zelf opvoeden.’
Er viel een zware stilte. Na een paar seconden begon de eerste zuster te lachen, een hoog, hikkend geluid dat zo angstaanjagend was dat zelfs de baby geschrokken stopte met krijsen. Met grote ogen keek het kleine bundeltje naar het vertrokken gezicht dat boven haar hing.
‘Haal een opnameformulier,’ zei de eerste zuster tegen de tweede zuster. ‘Mevrouw heeft duidelijk last van ernstige psychische problemen. Waanbeelden.’
‘Geef me mijn kind.’
‘U bent niet in staat om voor dit kind te zorgen,’ hield de eerste zuster vol.
De tweede zuster haastte zich ondertussen de kamer uit, een telefoon tegen haar oor gedrukt.
‘Ze heeft liefde nodig.’
‘Liefde is geen onderdeel van de gedrags- en ontwikkelingskaarten zoals die…’
‘Geef me mijn kind!’ De moeder liep naar de zuster.
De zuster stond haastig op van de stoel. Het flesje rolde op de grond. De moeder stak haar hand uit naar haar dochtertje. Op het moment dat de spuit door de tweede zuster in haar bil werd gestoken, ontmoetten haar ogen die van haar kind. De baby barstte in huilen uit. De moeder zakte op de grond.
De eerste zuster schudde haar hoofd. ‘Arm kleintje. Je moeder snapt het niet, hè. Het is voor jouw bestwil,’ praatte ze, terwijl ze bukte en het flesje opraapte. Ze draaide zich met haar rug naar de bewusteloze moeder. ‘Zo kunnen we al vroeg zien of je je toch wel goed ontwikkelt, en zo leer je veel sneller alles wat je moet leren om een goede burger te zijn. Ja, hè. We zullen heel goed voor je zorgen, lieverd. Kom, ga nu maar braaf drinken, deze melk is uitgebreid getest. Je weet nooit of je moeder niet stiekem wat heeft gedronken. Toe maar, anders gaan we je zo aan een infuus leggen hoor. Je moet goed groeien. Straks komt de dokter voor wat testjes en dan zullen we die rare moeder van je wat hulp aanbieden, zodat jij goed terecht komt.’ Ze snoof. ‘Zelf voeden. Zelf opvoeden! We leven niet meer in de twintigste eeuw. Nee, hè. Je moet opvoeding wel aan professionals overlaten.’