In de meeste verhalen kom je dialoog tegen. Soms lees je
pagina’s dialoog, zonder dat je doorhebt dat het gesprek zoveel pagina’s
beslaat. Soms lees je een halve pagina dialoog en ben je blij als de personages
eindelijk de mond worden gesnoerd door de schrijver. De ene dialoog is de
andere niet, en persoonlijke voorkeur (van lezer en schrijver) speelt een grote
rol bij de beleving van de dialoog.
Ik hou van een goede dialoog. En ik erger me dood aan boeken/verhalen
waarin dialogen mij uit het verhaal trekken, om wat voor reden dan ook. Vandaag
ga ik dieper in op het fenomeen “dialoog”.
Definitie: waar hébben we het over?
Kort gezegd: een dialoog is een gesprek tussen twee of meer
personen. In een verhaal wordt dat doorgaans weergegeven door iedere nieuwe
spreker op een volgende regel te plaatsen, en door aanhalingstekens te
gebruiken. Dus dat ziet er dan zo uit:
‘Een dialoog.’
‘Analoog?’
‘Nee, dialoog. Zo’n gesprek, weet je wel. Tussen twee
personen.’
‘Oh. Ja, leuk.’
Schrijf je verhalen en gebruik je daarbij dialoog, dan kom
je er al snel achter: hoe “realistischer” de dialoog, hoe minder bruikbaar hij
is. In het “echt” praat je immers met zinloze stopwoordjes, herhalingen, etc.
Dat kun je in een verhaal niet gebruiken. Nee, in een verhaal ga je het
terugbrengen tot de essentie. Ik citeer Gerard Reve, die op zijn beurt weer
geciteerd wordt in het boek Schrijven van
gedichten en verhalen, van Cees van der Pluijm:
‘Het belang van de dialoog in het verhalend proza wordt maar
al te vaak onderschat. Men beseft onvoldoende dat een werkelijk plaats gevonden
hebbende dialoog zo goed als nooit bruikbaar is. […] De dialoog is één van de
moeilijkste opgaven voor de auteur.’
(Schrijven van
gedichten en verhalen, p. 238-239)
Babbelende bazelaars en morrelende mompelaars
Het is natuurlijk fijn dat we weten wat dialoog ís, maar nu
zou het ook fijn zijn als we begrijpen wat dialoog dóét. Ik begin met een bewering
waar je als beginnend auteur niet op zit te wachten, want dit levert meer vragen
op dan antwoorden: met een dialoog kun
je alle kanten op.
Lekker vaag, hè. Ik weet het.
Concreet: in een dialoog kun je informatie verwerken.
Nu wordt het interessant. Want wat voor informatie kun je
erin verwerken? Ook daar gaan we weer alle kanten op.
Niet alleen wát
iemand zegt, heeft gevolgen voor de beeldvorming van een personage, maar ook
hóé hij het zegt. Praat je personage met deftige woorden, gebruikt hij lange
zinnen, of is hij juist van het binnensmonds gemompel? Gebruik je dialect in je
dialoog, gooi je er straattaal doorheen, laat jij je personages vloeken?
Dit zijn vragen waarover je moet nadenken. Een koning praat
doorgaans anders dan een straatschoffie. En als er net iets ergs is gebeurd, is
het fijn als een personage daar realistisch op reageert.
‘Nee… Poekie…’ Tamara keek naar haar kat. Het beestje lag
dood in een plas bloed, de schroevendraaier stak nog uit zijn nek. Wie had dat
gedaan? ‘Jeetje, nee!’ zei Tamara.
Bovenstaand voorbeeld is een bewerking van wat ik ooit
daadwerkelijk in een boek ben tegengekomen. Ik zat zowat tegen het plafond aan.
“Jeetje”? Alsjeblieft, zeg! Als ik zoiets zie, krijg ik de neiging om zo’n boek
een zwieper te geven. Mét bijbehorende vloek. Wie zegt er nou toch “jeetje” als
z’n kat bruut is vermoord!
Nou ja, misschien zijn er wel mensen die dat zeggen. Dat zou
best kunnen. Maar ik had grover taalgebruik in dit geval toch wel op z’n plaats
gevonden. Punt is: denk na over wat je
een personage laat zeggen, want het heeft gevolgen voor de leesbeleving.
En niet alleen wát een personage zegt. Ook hóé iemand het
zegt.
‘En toen zei ik, ik zei: “We gaan lekker naar de film,
jongen”, en toen zei hij, zegt-ie gewoon: “Daar heb ik helemaal geen zin in!”
Ken je dat nou geloven?’
‘Ik nodigde hem uit om samen naar de bioscoop te gaan. Hij
had geen zin. Ik snap er niets van.’
Zelfde boodschap, totaal andere manier van spreken. Ook in
het echte leven kom je wel eens van die babbelaars tegen, mensen die 5 kwartier
in een uur praten. Zulke personen lopen in verhalen ook rond. Dat kun je
gebruiken in een dialoog.
Leest het vlot of kabbelt het oeverloos voort?
Doorgaans (gemiddeld genomen) leest een dialoog vlot door.
Er is sprake van een soort actie-reactie gebeuren: personage A praat, personage
B reageert daarop, soms komt personage C dan met nieuwe input. Vaak is de halve
pagina leeg, als het om een dialoog met korte zinnen gaat. Hieronder een
voorbeeld, afkomstig uit mijn manuscript Trustys:
‘Hoe laat was je klaar?’
‘Pas laat op de avond, heer. Het was al donker.’
Vesaljev maakte een ga-verder gebaar met zijn hand. ‘Wat
deed je toen?’
‘Ik had honger, generaal. Ik ging naar Frank – naar De
Bokkige Geit.’
‘Waarom daarheen? Er zit een kroeg bij je op de hoek. De
Bokkige Geit is een eind verder.’
‘U bedoelt De Dikke Dame?’
‘Ja.’
‘Bent u daar weleens geweest?’
Vesaljev trok zijn wenkbrauwen op.
‘Als u daar uw glas neerzet, moet u dat met een beitel
loswrikken. Ik kom daar nooit.’
‘Dus je ging eten in De Bokkige Geit. Wat gebeurde er toen
je daar aankwam?’
(Trustys, Ninja
Paap-Luijten)
Soms staat er slechts één woord op een regel. Dat is vaker
het geval bij dialogen. Natuurlijk heb je ook boeken waarin personages soms
hele monologen houden, verhalen die hele pagina’s beslaan – maar grof geschat
kun je toch wel stellen dat de moderne dialoog meestal bestaat uit relatief
korte, elkaar snel opvolgende stukken. En dat maakt dat een dialoog meestal je
tekst versnelt. Kun je er ook mee vertragen? Jazeker, maar dat is afhankelijk
van hoe je die dialoog opbouwt. Laat je de personages langer per persoon aan
het woord, dan leest het meestal trager dan met die korte zinnen en snelle
afwisselingen zoals in het voorbeeld hierboven. (En ook hier speelt woordkeuze
een rol. Ingewikkeld taalgebruik leest voor de gemiddelde lezer iets langzamer
dan eenvoudig taalgebruik.)
Let wel op: een dialoog die bestaat uit oeverloos gezwam,
kan natuurlijk nog steeds vertragend werken. Als je de lezer verveelt, ben je
immers ook vertragend bezig.
Het karakter van je personage
De dialoog is zeer geschikt om iets te ‘laten zien’ over het
karakter van je personage. Het zegt soms ook iets over de verhoudingen tussen
de personages. In bovenstaand voorbeeld zie je al dat er een verschil in
beleefdheidsvorm is: de ene zegt ‘u’, de andere ‘jij’. Maar een dialoog kan ook
iets zeggen over de gemoedstoestand van je personage. Of over het karakter van
je personage; wat voor iemand is hij, hoe reageert hij, wat zegt dat over hem?
Kies je ervoor om de directe rede (dat wat daadwerkelijk wordt gezegd) te ondersteunen
in de tekst eromheen, of laat je dat achterwege? Nog een voorbeeld, weer uit
een van mijn eigen manuscripten, dit keer uit Oragayn:
Aaron ging zitten. Met de handdoek depte William
zijn gezicht warm. Hij zeepte hem in, pakte het vlijmscherpe scheermes en
plaatste het lemmet tegen de keel van de magiër. Aaron keek steels naar
William.
‘U weet wat u doet hoop ik?’ vroeg hij.
William trok een wenkbrauw op. Ineens was hij ‘u’. ‘Ik heb
dit vaker gedaan.’
‘Bij een ander.’
‘Ja.’
‘U had kapper moeten worden, dan?’
‘Daar ben ik niet geduldig genoeg voor. Zit stil.’
Aaron ademde huiverend uit. ‘Farridah, ik wil een borrel.’
Daar reageerde William niet eens op. Soepel haalde hij het
scheermes over Aarons huid.
(Oragayn, Ninja
Paap-Luijten)
Twee dialogen. Enkele overeenkomsten: in beide voorbeelden
maak ik gebruik van de invloed van de beleefdheidsvorm (“u”) en in beide
voorbeelden wordt er een wenkbrauw opgetrokken. Die opgetrokken wenkbrauw maakt
overigens net zo goed deel uit van de dialoog: lichaamstaal! En wat te denken van de taal van het scheermes, in
dit laatste voorbeeld? Dat ding ligt tijdens het gesprek tegen de keel van
Aaron. William is niet bang dat hij iets verkeerd zal doen – hij heeft immers
vaker iemand geschoren – maar Aaron ziet het niet zo zitten.
Waarom dit voorbeeld, als ik het over karakter heb? Nou,
William is hier officier. Hij heeft bevel om Aaron mee te nemen, maar kiest
ervoor om hem eerst te fatsoeneren. Daarbij blijft hij beleefd (terwijl Aaron
vlak hiervoor allesbehalve beleefd is geweest, dat viel buiten het voorbeeld).
Wat hij zegt, vertelt bovendien iets over het verleden van William: ‘Ik heb dit
vaker gedaan.’ – kennelijk heeft hij ervaring met het scheren van mannen. Hoe,
waarom – dat staat er niet. Behalve officier is hij ook een man met een hart.
Iemand die moeite doet voor een ander.
Pas trouwens wel op met het gebruik van lichaamstaal. Te
veel, en de dialoog verzuipt in de opgetrokken wenkbrauwen, het geschuifel met
voeten, het zwaaien van armen, het “die keek naar die”, en de op elkaar
geperste lippen. Geniet van lichaamstaal, maar gebruik het met mate.
Dialoog als infodump?
Wat ik persoonlijk echt bezwaarlijk vind: als ik bij het
lezen van een tekst kan proeven dat een dialoog puur en alleen misbruikt wordt
om informatie aan de lezer door te geven. Ik heb niets tegen informatie in een
tekst, maar stop dat lekker in de lopende tekst en dring het niet op aan je
personages. Iedereen kent de voorbeelden uit populaire politieseries, waarbij
zulk soort dialogen ontrollen:
‘Dat doen we met die machine. Je weet wel, die analyseert
het bloed.’
‘Ja, daar komt dan een dna-profiel uit.’
‘Precies. En met een beetje geluk komt er dan een verdachte
uit het bestand rollen.’
‘Als we een dna-match hebben, is dat genoeg bewijs om die verdachte
op te pakken.’
Dit “voorbeeld” (ik heb even wat in elkaar verzonnen) is
bedoeld ter illustratie van wat er vaak gebeurt: twee experts die aan elkaar
uitleggen wat ze aan het doen zijn. Ik denk niet dat twee échte onderzoekers
aan elkaar gaan uitleggen waarvoor bloedmonsters bedoeld zijn! Dit is pure
infodump. Ook vaak gebruikt: mentor legt dingen uit aan leerling, expert
verklaart van alles aan leek, etc. Soms werkt het. Soms werkt het juist
helemaal niet. Wees je ervan bewust als je dit soort constructies gebruikt, en
probeer gerust na te denken over alternatieven. Hoe “gemakkelijk” het soms ook
is om alles in een dialoog te pleuren: van gemakzucht is nog nooit iemand een
betere schrijver geworden.
(Voor mijn proeflezers: deze uitspraak mag tegen me gebruikt
worden.)
Wat ik als vuistregel aanhoud: als je personages aan elkaar dingen gaan uitleggen die ze allebei
weten, dan klopt er iets niet. Maar daarnaast is er nog een enorm grijs
gebied. Wanneer er precies te veel informatie in een dialoog staat, en wanneer
te weinig, dat is iets wat je per tekst zult moeten bekijken. Per tekst, én per
doelpubliek. De ene lezer heeft nu eenmaal meer extra informatie nodig dan de
andere.
Verandering van spijs doet eten
Ik heb persoonlijk zelden dialogen die louter en alleen uit
directe rede bestaan. Cees van der Pluijm zegt er het volgende over:
‘Het is van belang de directe rede zo veel mogelijk af te
wisselen met samenvattingen, indirecte rede, vertellerscommentaar en
beschrijvingen.’
(Schrijven van
gedichten en verhalen, p. 245)
Er zijn schrijvers die hele boeken kunnen vullen met bijna
alleen maar dialoog in directe rede, maar laten we wel wezen: dat zijn
uitzonderingen. Over het algemeen is het aan te raden om af te wisselen.
Het schrijven van een goede dialoog is absoluut niet eenvoudig.
Hoewel het soms zomaar eruit komt rollen, wil dat niet zeggen dat het altijd zo
vanzelfsprekend eenvoudig gaat. Experimenteer erop los, zoek uit wat je zelf
fijn vindt. Gebruik dialect, vakjargon, dump eens voor de gein volop informatie
in de dialoog en kijk wat er dan gebeurt. Leef je uit. Dat is, denk ik, de
beste manier om uit te vogelen hoe dialoog in jouw teksten werkt, wat je ermee
kunt en – niet onbelangrijk! – hoe je jezelf kunt verbeteren.
Gebruikte bronnen:
- Cees van der Pluijm: Schrijven van gedichten en
verhalen. Uitgeverij de Contrabas, Utrecht, Leeuwarden, 2008 – isbn 978 90
79432 09 7
- De Schrijfbijbel. TenPages.com, 2013 – isbn 978
94 91553 00 4
- Jan Brokken: Het hoe. Uitgeverij Atlas Contact,
Amsterdam/Antwerpen, derde druk 2016 – isbn 978 90 457 0461 6
- Mijn eigen manuscripten