Sunday, April 15, 2018

De voor de hand liggende vraag met het moeilijke antwoord

Gisteren volgde ik op de Dag van het Fantastische Boek de workshop "Manuscript opsturen naar een uitgeverij" van Eveline Broekhuizen. Een van de dingen die ter sprake kwam tijdens die workshop, was de "blurb": in één zin omschrijven waar je verhaal over gaat.
Dat klinkt heel simpel, maar zoals wel vaker met dingen die heel simpel lijken, is het vaak juist heel erg lastig.

Voor mijn meest recente manuscripten, Tirisa en Vyran, heb ik zulke zinnen. Lukt het mij in 1 enkele zin? Nee. Ik heb er twee of drie nodig. En dan kan ik ook nog meerdere versies bedenken, maar hieronder heb ik de zinnen staan die de minste spoilers bevatten. Hier komen ze:

Tirisa:
Als een plichtsgetrouwe generaal opdracht krijgt vluchtelingen met harde hand terug naar oorlogsgebied te sturen, besluit hij zijn bevelen naast zich neer te leggen. Kan hij zijn meerdere op andere gedachten brengen, of zal zij voor totale chaos zorgen?

Vyran:
Als de arrestatie van een corrupte militair volkomen mislukt, laat hij een spoor van ellende achter. Kunnen zijn slachtoffers verwerken wat hij heeft gedaan? En is hij voorgoed ontsnapt, of wordt hij alsnog gevonden?


Beide verhalen zijn high-fantasy. Beide verhalen zijn los te lezen. Van beide verhalen heb ik ook blurbs die meer prijsgeven van het verhaal, maar op mijn blog laat ik graag wat mysterie intact ...

Het zijn twee totaal verschillende verhalen. De grootste overeenkomst? Ze gaan over personen. Als ik wil beginnen met vertellen waar mijn manuscripten over gaan, dan schieten mij zoveel dingen te binnen, dat het lastig is om te kiezen. De blurb vertelt het verhaal. Maar een boek is meer dan een verhaal. Het gaat pas leven als je de lezer mee naar binnen trekt, de wereld in. En omdat ik zojuist heb ontdekt dat ik het begin van Tirisa helemaal nog niet op mijn blog had gezet, dacht ik: laat ik daar eens verandering in aanbrengen! Dus hieronder het begin van Tirisa:
---


1

‘Samm…’ Ynndalys Lyano bevroor. De naam van zijn broer bleef in zijn keel steken.
Sammanh hing aan een touw. Hij had zich in zijn eigen hal opgehangen aan de kroonluchter.
Een tochtvlaag liet de voordeur dichtknallen, maar Ynndalys hoorde het niet. Met grote ogen staarde hij naar zijn broer. Het touw kraakte en wiegde heen en weer. De tenen van Sammanh bungelden boven de grond, zijn broekspijpen trilden. Een omgevallen houten kruk lag naast zijn voeten. Sammanhs ogen waren gesloten, zijn handen hingen slap langs zijn lichaam. Het grauwe touw sneed diep in de huid van zijn hals. Rode striemen en krassen ontsierden hals en kaaklijnen; in zijn doodsstrijd had hij toch getracht zichzelf te bevrijden.
‘Ggh.’
Ggh – dat geluid, dat geen kreun was en geen woord, maar iets daar tussenin, zou Ynndalys nooit vergeten.
Ynndalys schoot naar voren en sloeg een arm om de benen van zijn broer. Hij tilde hem op, zodat er minder druk op het touw kwam te staan. Met zijn vrije hand trok hij het zwaard dat aan zijn heup hing. Het wapen beschreef een nijdige boog toen hij ermee omhoogzwiepte en door het touw hakte.
Het lichaam zakte in Ynndalys’ armen. Hij liet zijn zwaard vallen en legde zijn broer op de grond. Wanhopig plukte hij aan de strop om Sammanhs hals. Hij wrong zijn vingers onder het ruwe touw.
Niet snel genoeg.
Ynndalys greep zijn zwaard en sneed de strop door. De slecht aangelegde schuifknoop eindigde als een misvormde hoop naast zijn knieën.
‘Sammanh!’ Ynndalys wilde schreeuwen, maar er kwam een fluistering over zijn lippen. Zijn vingers, geschaafd doordat hij zo hard aan het touw had getrokken, dartelden over het gezicht van zijn broer. Uiteindelijk tikte hij tegen een wang. ‘Sammanh!’ Haastig veegde hij de tranen weg die zijn zicht vertroebelden. ‘Sam!’
Er was geluid uit de keel van Sammanh gekomen. Dat wist hij zeker. Dat had hij zich niet ingebeeld.
Maar nu haalde Sammanh geen adem meer.

---

Friday, April 6, 2018

Een nieuw verhaal, een open dag, een dag met een lange naam

Het is stil op mijn blog. Hoe komt dat? Nou, stiekem ben ik natuurlijk alweer begonnen aan een nieuw verhaal. Natuurlijk zit ik niet stil! En ondertussen lees ik heel veel, ik ben druk met vertalen, ik studeer een hoop en af en toe kijk ik om me heen en schrik ik van m'n huis dus ga ik poetsen. Dat idee. Maar! Er komen een hoop leuke dingen aan.

Aanstaande zaterdag (7 april, morgen dus al!) ga ik naar de open dag van de Schrijversvakschool. En daar is ook de Scriptdokter aanwezig (Jeroen Thijssen) die dan korte feedback geeft op een klein fragment van een verhaal. Ik ben razend nieuwsgierig naar de open dag, want je hoort best wel eens wat over de Schrijversvakschool, dus ik heb er zin in!

En omdat een zekere schrijfvriendin bang was dat ik me ging vervelen op 14 april, heb ik op die dag nu in mijn agenda staan dat ik ga rondneuzen op de Dag van het Fantastische Boek. (Een naam die ze van mij mogen inkorten, trouwens.) Op de 14e staan er workshops gepland waar ik ook enorm veel zin in heb, dus ook de 14e wordt een leuke dag.

Qua schrijven zit ik dus zéker niet stil, en ondertussen ben ik ook hard aan het studeren en aan het vertalen. Oh... en ik geloof dat ik de was eens ga ophangen. Want dat gaat ook gewoon door natuurlijk!

En voor de nieuwsgierigen onder ons (en voor wie het nog niet op Facebook heeft gezien) - hier een piepklein tipje van de sluier van het nieuwe manuscript: 

--

‘Nee,’ zei William. Het drong ineens tot hem door. Hij staarde naar de dikke grijze lijn op de kaart. ‘Nee, nee, nee. Dat bestaat niet. Die rivier bestaat niet.’
‘Er is wel meer waarvan we dachten dat het niet bestond,’ merkte Vesaljev op.
‘Hoe kan er verdomme een hele rivier plotseling opduiken zonder dat iemand het merkt?’
‘Magie heeft haar eigen wetten,’ zei Héléna.

Friday, January 5, 2018

Vyran

Het heeft altijd iets speciaals als een manuscript af is. Maandenlang heb ik er keihard aan gewerkt. Er waren dagen dat ik meer tekst verwijderde dan dat ik erbij schreef, er waren dagen dat ik bijna wanhopig werd van de weerbarstige grillen van het verhaal, en er waren dagen dat mijn handen tijdens het typen mijn hoofd bijna niet konden bijbenen. Schrijven kan raar, vermoeiend, energiegevend, bizar en doodeenvoudig zijn. Tijdens het schrijven van Vyran heb ik alle kanten van het schrijven wel gehad - en nu staat het verhaal er.
Het leek mij een mooi moment om te vertellen waar ik de afgelopen maanden nou eigenlijk aan heb gewerkt.



Op Facebook had ik de titel al een keer voorbij laten komen. Vyran is een verhaal over veerkracht en moed. Over Héléna, een vrouw die hoge officier is in de militaire elite van haar land, die haar werk moet zien te combineren met haar gezin (ze is getrouwd en heeft een zoon). Over haar man, Vesaljev, zelf ook officier, bevelhebber van zijn vrouw. Vesaljev stuurt Héléna op een levensgevaarlijke missie. Ze moet een corrupte collega arresteren - maar die laat zich niet zomaar oppakken ...

Vyran is een high-fantasy roman. Het verhaal speelt zich af in een verzonnen wereld, in een land waar discriminatie wettelijk verboden is, waar landen samenwerken om een misdadiger te kunnen arresteren, waar het raar wordt gevonden als iemand een vrouw minder waard vindt dan een man. Oh, en magie speelt een hele grote rol (en is absoluut niet voorbehouden aan magiërs). Dit verhaal is los te lezen. Natuurlijk lopen er wel personages in rond die ook in mijn andere verhalen aan bod komen.

Maar eigenlijk, in plaats van erover te vertellen, laat ik liever het verhaal voor zich spreken. Daarom plaats ik hier het allereerste stuk van het verhaal. Dit is hoe het nu begint, dit is wat er voorlopig staat. Wat mij nu rest, is ooit een uitgever vinden ...

----



Hedorn (Fréyutan), Midzomer 559
1

Alles deed zeer. Héléna had blauwe plekken op haar armen, benen en handen. Haar lip voelde dik aan, maar vanuit welke hoek ze haar gezicht ook bekeek in de spiegel, die dikke lip was niet te zien. De blauwe plekken en schrammen bleven verborgen onder de kleding van haar uniform.
Het was nog nacht, maar nu al warm. Het werd vast en zeker weer een plakkerige zomerdag. Héléna wierp een laatste blik op de spiegel en liep de slaapkamer uit. Beneden stak ze haar hoofd om de keukendeur. Een brandende lamp op de tafel verlichtte de keuken. Het fornuis was aangestoken, een pannetje met water en eieren pruttelde zachtjes. Maron sneed net een stuk af van een homp donkerbruin brood.
‘Maron,’ zei Héléna.
De gezette, kale man keek op en liet zijn mes zakken. ‘Gaat u weer weg zonder te eten?’
‘Ik heb haast.’
‘De eieren zijn klaar, vrouwe.’ Hij nam de pan van het fornuis. Met een zeefje schepte hij een ei op en doopte die in een kom koud water. Ondertussen bekeek hij haar. ‘U ziet er moe uit, als ik zo vrij mag zijn.’
Daar gaf ze geen antwoord op. Zwijgend nam ze het warme ei en een servet aan.
‘Vrouwe…’ Maron wreef over zijn hoofd. ‘Zijn er problemen? Tussen u en heer Van Mubay?’
Onwillekeurig ging ze met haar tong langs de binnenkant van haar pijnlijke lip. ‘Waarom vraag je dat?’
‘Hij is er niet. En u ziet eruit alsof u uit een veldslag bent gekomen.’
‘Ik heb gisteren met de koning en Vesaljev getraind,’ zei ze. ‘Dus dat laatste is niet zo vreemd. Ves had geen tijd om naar huis te komen vannacht. Ik kan niet uitleggen waarom, maar trek alsjeblieft geen conclusies die er niet zijn.’ Ze wilde weggaan, maar bedacht zich. ‘Maron, wordt er over mij en Ves geroddeld?’
Snel wendde hij zijn blik af.
‘Maron,’ drong Héléna aan, nu iets minder vriendelijk.
‘Neem me niet kwalijk, vrouwe. U bent nooit zo afstandelijk geweest. En heer Van Mubay laat zich helemaal niet zien.’
‘Dus als wij het druk hebben, zal ons huwelijk wel op de klippen lopen?’
‘Zachary vroeg gisteren of jullie binnenkort op missie moesten,’ zei Maron.
‘Farridah.’ De zachte vloek dwarrelde door de keuken, waarop Maron een wenkbrauw optrok. Héléna ging op een stoel zitten en begon het ei te pellen.
‘Ik weet dat het mijn zaken niet zijn,’ zei Maron, ‘maar…’ Hij wist niet wat hij moest zeggen. Uiteindelijk plaatste hij een bord met een snee brood voor Héléna neer, zette er de botervloot en een mes bij en ging tegenover haar zitten.
‘Vroeg Zach dat echt?’ vroeg Héléna.
‘Ja, vrouwe.’
Ze haalde diep adem. ‘Het is niet ons huwelijk, Maron.’ Zorgvuldig besmeerde ze haar brood met boter en belegde het met ei. ‘Ik hoop dat ik op je kan rekenen. Het is niet de bedoeling dat half Hedorn straks weet dat de Gardecommandant niet thuis komt slapen.’
‘Ik hak eerder mijn tong af dan dat ik die informatie zomaar in het rond blaat, vrouwe. Ik ben geen beginneling.’
‘Dat weet ik.’ Ze nam een hap, kauwde, slikte door. ‘Wat heb je tegen Zach gezegd?’
‘Dat hij zich geen zorgen moet maken. Maar het zou meer indruk maken als u of heer Van Mubay dat zélf tegen hem zei.’
‘Ik ga zo naar hem toe. Ik ga niet zomaar weg zonder hem gedag te zeggen.’
‘Het was geen verwijt…’
‘Dat was het wel. En terecht. Jij ziet hem meer dan zijn ouders.’
‘Met uw werk is dat niet zo vreemd.’
‘Met mijn werk leer je juist hoe fragiel het leven is. Ik zou beter moeten weten.’
Maron stond op en schonk een glas water in.
‘Ik kan het niet uitleggen, Maron. Ik kan je alleen zeggen dat het met de Garde te maken heeft.’
‘Dan moet het wel ernstig zijn, als er zelfs niet genoeg tijd is om thuis de nacht door te brengen.’
‘Daar ga ik niet op in.’
‘Wat kan ik doen?’ vroeg Maron.
Ze nam dankbaar het glas water aan en dronk het in één keer leeg. Daarna stond ze op. ‘Je werk. Bedankt voor het ontbijt. Je had niet zo vroeg op hoeven staan.’
‘Dat is mijn werk, vrouwe,’ was zijn kalme antwoord.
Ze glimlachte. Een steek van pijn schoot door haar lip, waardoor haar glimlach snel verschrompelde, maar dat zag Maron niet. Hij had zich alweer naar het aanrecht gekeerd.
‘Ik maak hier wel eiersalade van,’ zei hij, meer tegen zichzelf dan tegen haar.
Héléna liet hem begaan. Ze ging de keuken uit, de gang door, richting de wapenkamer. Daar haalde ze haar wapenriem op met haar wapens. Bij de kapstok griste ze haar mantel mee en terwijl ze die vastknoopte, ging ze de trap op.
Voor de slaapkamer van haar zoon bleef ze staan. De deur stond op een kier, zoals altijd. Ze stak haar hand uit, legde haar vingers tegen het warme hout van de deur en duwde. Toen ze de drempel over stapte, was het alsof ze haar uniform, werk en kneuzingen in de gang liet liggen.



Monday, October 23, 2017

Het verhaal van je dialoog

In de meeste verhalen kom je dialoog tegen. Soms lees je pagina’s dialoog, zonder dat je doorhebt dat het gesprek zoveel pagina’s beslaat. Soms lees je een halve pagina dialoog en ben je blij als de personages eindelijk de mond worden gesnoerd door de schrijver. De ene dialoog is de andere niet, en persoonlijke voorkeur (van lezer en schrijver) speelt een grote rol bij de beleving van de dialoog.
Ik hou van een goede dialoog. En ik erger me dood aan boeken/verhalen waarin dialogen mij uit het verhaal trekken, om wat voor reden dan ook. Vandaag ga ik dieper in op het fenomeen “dialoog”.

Definitie: waar hébben we het over?
Kort gezegd: een dialoog is een gesprek tussen twee of meer personen. In een verhaal wordt dat doorgaans weergegeven door iedere nieuwe spreker op een volgende regel te plaatsen, en door aanhalingstekens te gebruiken. Dus dat ziet er dan zo uit:

‘Een dialoog.’
‘Analoog?’
‘Nee, dialoog. Zo’n gesprek, weet je wel. Tussen twee personen.’
‘Oh. Ja, leuk.’

Schrijf je verhalen en gebruik je daarbij dialoog, dan kom je er al snel achter: hoe “realistischer” de dialoog, hoe minder bruikbaar hij is. In het “echt” praat je immers met zinloze stopwoordjes, herhalingen, etc. Dat kun je in een verhaal niet gebruiken. Nee, in een verhaal ga je het terugbrengen tot de essentie. Ik citeer Gerard Reve, die op zijn beurt weer geciteerd wordt in het boek Schrijven van gedichten en verhalen, van Cees van der Pluijm:

‘Het belang van de dialoog in het verhalend proza wordt maar al te vaak onderschat. Men beseft onvoldoende dat een werkelijk plaats gevonden hebbende dialoog zo goed als nooit bruikbaar is. […] De dialoog is één van de moeilijkste opgaven voor de auteur.’
(Schrijven van gedichten en verhalen, p. 238-239)

Babbelende bazelaars en morrelende mompelaars
Het is natuurlijk fijn dat we weten wat dialoog ís, maar nu zou het ook fijn zijn als we begrijpen wat dialoog dóét. Ik begin met een bewering waar je als beginnend auteur niet op zit te wachten, want dit levert meer vragen op dan antwoorden: met een dialoog kun je alle kanten op.
Lekker vaag, hè. Ik weet het.
Concreet: in een dialoog kun je informatie verwerken.
Nu wordt het interessant. Want wat voor informatie kun je erin verwerken? Ook daar gaan we weer alle kanten op.
Niet alleen wát iemand zegt, heeft gevolgen voor de beeldvorming van een personage, maar ook hóé hij het zegt. Praat je personage met deftige woorden, gebruikt hij lange zinnen, of is hij juist van het binnensmonds gemompel? Gebruik je dialect in je dialoog, gooi je er straattaal doorheen, laat jij je personages vloeken?
Dit zijn vragen waarover je moet nadenken. Een koning praat doorgaans anders dan een straatschoffie. En als er net iets ergs is gebeurd, is het fijn als een personage daar realistisch op reageert.

‘Nee… Poekie…’ Tamara keek naar haar kat. Het beestje lag dood in een plas bloed, de schroevendraaier stak nog uit zijn nek. Wie had dat gedaan? ‘Jeetje, nee!’ zei Tamara.

Bovenstaand voorbeeld is een bewerking van wat ik ooit daadwerkelijk in een boek ben tegengekomen. Ik zat zowat tegen het plafond aan. “Jeetje”? Alsjeblieft, zeg! Als ik zoiets zie, krijg ik de neiging om zo’n boek een zwieper te geven. Mét bijbehorende vloek. Wie zegt er nou toch “jeetje” als z’n kat bruut is vermoord!
Nou ja, misschien zijn er wel mensen die dat zeggen. Dat zou best kunnen. Maar ik had grover taalgebruik in dit geval toch wel op z’n plaats gevonden. Punt is: denk na over wat je een personage laat zeggen, want het heeft gevolgen voor de leesbeleving.

En niet alleen wát een personage zegt. Ook hóé iemand het zegt.

‘En toen zei ik, ik zei: “We gaan lekker naar de film, jongen”, en toen zei hij, zegt-ie gewoon: “Daar heb ik helemaal geen zin in!” Ken je dat nou geloven?’
 ‘Ik nodigde hem uit om samen naar de bioscoop te gaan. Hij had geen zin. Ik snap er niets van.’

Zelfde boodschap, totaal andere manier van spreken. Ook in het echte leven kom je wel eens van die babbelaars tegen, mensen die 5 kwartier in een uur praten. Zulke personen lopen in verhalen ook rond. Dat kun je gebruiken in een dialoog.

Leest het vlot of kabbelt het oeverloos voort?
Doorgaans (gemiddeld genomen) leest een dialoog vlot door. Er is sprake van een soort actie-reactie gebeuren: personage A praat, personage B reageert daarop, soms komt personage C dan met nieuwe input. Vaak is de halve pagina leeg, als het om een dialoog met korte zinnen gaat. Hieronder een voorbeeld, afkomstig uit mijn manuscript Trustys:

‘Hoe laat was je klaar?’
‘Pas laat op de avond, heer. Het was al donker.’
Vesaljev maakte een ga-verder gebaar met zijn hand. ‘Wat deed je toen?’
‘Ik had honger, generaal. Ik ging naar Frank – naar De Bokkige Geit.’
‘Waarom daarheen? Er zit een kroeg bij je op de hoek. De Bokkige Geit is een eind verder.’
‘U bedoelt De Dikke Dame?’
‘Ja.’
‘Bent u daar weleens geweest?’
Vesaljev trok zijn wenkbrauwen op.
‘Als u daar uw glas neerzet, moet u dat met een beitel loswrikken. Ik kom daar nooit.’
‘Dus je ging eten in De Bokkige Geit. Wat gebeurde er toen je daar aankwam?’
(Trustys, Ninja Paap-Luijten)

Soms staat er slechts één woord op een regel. Dat is vaker het geval bij dialogen. Natuurlijk heb je ook boeken waarin personages soms hele monologen houden, verhalen die hele pagina’s beslaan – maar grof geschat kun je toch wel stellen dat de moderne dialoog meestal bestaat uit relatief korte, elkaar snel opvolgende stukken. En dat maakt dat een dialoog meestal je tekst versnelt. Kun je er ook mee vertragen? Jazeker, maar dat is afhankelijk van hoe je die dialoog opbouwt. Laat je de personages langer per persoon aan het woord, dan leest het meestal trager dan met die korte zinnen en snelle afwisselingen zoals in het voorbeeld hierboven. (En ook hier speelt woordkeuze een rol. Ingewikkeld taalgebruik leest voor de gemiddelde lezer iets langzamer dan eenvoudig taalgebruik.)
Let wel op: een dialoog die bestaat uit oeverloos gezwam, kan natuurlijk nog steeds vertragend werken. Als je de lezer verveelt, ben je immers ook vertragend bezig.

Het karakter van je personage
De dialoog is zeer geschikt om iets te ‘laten zien’ over het karakter van je personage. Het zegt soms ook iets over de verhoudingen tussen de personages. In bovenstaand voorbeeld zie je al dat er een verschil in beleefdheidsvorm is: de ene zegt ‘u’, de andere ‘jij’. Maar een dialoog kan ook iets zeggen over de gemoedstoestand van je personage. Of over het karakter van je personage; wat voor iemand is hij, hoe reageert hij, wat zegt dat over hem? Kies je ervoor om de directe rede (dat wat daadwerkelijk wordt gezegd) te ondersteunen in de tekst eromheen, of laat je dat achterwege? Nog een voorbeeld, weer uit een van mijn eigen manuscripten, dit keer uit Oragayn:

Aaron ging zitten. Met de handdoek depte William zijn gezicht warm. Hij zeepte hem in, pakte het vlijmscherpe scheermes en plaatste het lemmet tegen de keel van de magiër. Aaron keek steels naar William.
‘U weet wat u doet hoop ik?’ vroeg hij.
William trok een wenkbrauw op. Ineens was hij ‘u’. ‘Ik heb dit vaker gedaan.’
‘Bij een ander.’
‘Ja.’
‘U had kapper moeten worden, dan?’
‘Daar ben ik niet geduldig genoeg voor. Zit stil.’
Aaron ademde huiverend uit. ‘Farridah, ik wil een borrel.’
Daar reageerde William niet eens op. Soepel haalde hij het scheermes over Aarons huid.
(Oragayn, Ninja Paap-Luijten)

Twee dialogen. Enkele overeenkomsten: in beide voorbeelden maak ik gebruik van de invloed van de beleefdheidsvorm (“u”) en in beide voorbeelden wordt er een wenkbrauw opgetrokken. Die opgetrokken wenkbrauw maakt overigens net zo goed deel uit van de dialoog: lichaamstaal! En wat te denken van de taal van het scheermes, in dit laatste voorbeeld? Dat ding ligt tijdens het gesprek tegen de keel van Aaron. William is niet bang dat hij iets verkeerd zal doen – hij heeft immers vaker iemand geschoren – maar Aaron ziet het niet zo zitten.
Waarom dit voorbeeld, als ik het over karakter heb? Nou, William is hier officier. Hij heeft bevel om Aaron mee te nemen, maar kiest ervoor om hem eerst te fatsoeneren. Daarbij blijft hij beleefd (terwijl Aaron vlak hiervoor allesbehalve beleefd is geweest, dat viel buiten het voorbeeld). Wat hij zegt, vertelt bovendien iets over het verleden van William: ‘Ik heb dit vaker gedaan.’ – kennelijk heeft hij ervaring met het scheren van mannen. Hoe, waarom – dat staat er niet. Behalve officier is hij ook een man met een hart. Iemand die moeite doet voor een ander.

Pas trouwens wel op met het gebruik van lichaamstaal. Te veel, en de dialoog verzuipt in de opgetrokken wenkbrauwen, het geschuifel met voeten, het zwaaien van armen, het “die keek naar die”, en de op elkaar geperste lippen. Geniet van lichaamstaal, maar gebruik het met mate.

Dialoog als infodump?
Wat ik persoonlijk echt bezwaarlijk vind: als ik bij het lezen van een tekst kan proeven dat een dialoog puur en alleen misbruikt wordt om informatie aan de lezer door te geven. Ik heb niets tegen informatie in een tekst, maar stop dat lekker in de lopende tekst en dring het niet op aan je personages. Iedereen kent de voorbeelden uit populaire politieseries, waarbij zulk soort dialogen ontrollen:

‘Dat doen we met die machine. Je weet wel, die analyseert het bloed.’
‘Ja, daar komt dan een dna-profiel uit.’
‘Precies. En met een beetje geluk komt er dan een verdachte uit het bestand rollen.’
‘Als we een dna-match hebben, is dat genoeg bewijs om die verdachte op te pakken.’

Dit “voorbeeld” (ik heb even wat in elkaar verzonnen) is bedoeld ter illustratie van wat er vaak gebeurt: twee experts die aan elkaar uitleggen wat ze aan het doen zijn. Ik denk niet dat twee échte onderzoekers aan elkaar gaan uitleggen waarvoor bloedmonsters bedoeld zijn! Dit is pure infodump. Ook vaak gebruikt: mentor legt dingen uit aan leerling, expert verklaart van alles aan leek, etc. Soms werkt het. Soms werkt het juist helemaal niet. Wees je ervan bewust als je dit soort constructies gebruikt, en probeer gerust na te denken over alternatieven. Hoe “gemakkelijk” het soms ook is om alles in een dialoog te pleuren: van gemakzucht is nog nooit iemand een betere schrijver geworden.
(Voor mijn proeflezers: deze uitspraak mag tegen me gebruikt worden.)
Wat ik als vuistregel aanhoud: als je personages aan elkaar dingen gaan uitleggen die ze allebei weten, dan klopt er iets niet. Maar daarnaast is er nog een enorm grijs gebied. Wanneer er precies te veel informatie in een dialoog staat, en wanneer te weinig, dat is iets wat je per tekst zult moeten bekijken. Per tekst, én per doelpubliek. De ene lezer heeft nu eenmaal meer extra informatie nodig dan de andere.

Verandering van spijs doet eten
Ik heb persoonlijk zelden dialogen die louter en alleen uit directe rede bestaan. Cees van der Pluijm zegt er het volgende over:

‘Het is van belang de directe rede zo veel mogelijk af te wisselen met samenvattingen, indirecte rede, vertellerscommentaar en beschrijvingen.’
(Schrijven van gedichten en verhalen, p. 245)

Er zijn schrijvers die hele boeken kunnen vullen met bijna alleen maar dialoog in directe rede, maar laten we wel wezen: dat zijn uitzonderingen. Over het algemeen is het aan te raden om af te wisselen.

Het schrijven van een goede dialoog is absoluut niet eenvoudig. Hoewel het soms zomaar eruit komt rollen, wil dat niet zeggen dat het altijd zo vanzelfsprekend eenvoudig gaat. Experimenteer erop los, zoek uit wat je zelf fijn vindt. Gebruik dialect, vakjargon, dump eens voor de gein volop informatie in de dialoog en kijk wat er dan gebeurt. Leef je uit. Dat is, denk ik, de beste manier om uit te vogelen hoe dialoog in jouw teksten werkt, wat je ermee kunt en – niet onbelangrijk! – hoe je jezelf kunt verbeteren.


 Gebruikte bronnen:
  • Cees van der Pluijm: Schrijven van gedichten en verhalen. Uitgeverij de Contrabas, Utrecht, Leeuwarden, 2008 – isbn 978 90 79432 09 7
  • De Schrijfbijbel. TenPages.com, 2013 – isbn 978 94 91553 00 4
  • Jan Brokken: Het hoe. Uitgeverij Atlas Contact, Amsterdam/Antwerpen, derde druk 2016 – isbn 978 90 457 0461 6
  • Mijn eigen manuscripten

Sunday, October 8, 2017

Harrie - kort verhaal

Harrie


Harrie had altijd de grootste. Daar stond hij om bekend. Wie onwetend was van Harries vermogen om tot een groot formaat te komen dat het sap weelderig over de tong liet stromen, bleef nooit lang in de waan dat hij aan normale proporties deed. Hij schepte er namelijk dolgraag over op. Nee, over de enormiteit van Harries aardbeien werd nooit getwist. Al helemaal niet met Harrie zelf. Tenzij je hem voor het eerst sprak of een heimelijk verlangen koesterde om hersendood te raken door oneindig geouwehoer over aardbeien, ging je niet met hem in discussie.
            Zelfs niet als je met hem getrouwd was.

Margaret discussieerde al jaren niet meer met haar man. Als je veertig jaar getrouwd was, waren er ruwweg twee mogelijkheden: óf je discussieerde altijd, óf je deed dat nooit. Meestal gaf zij Harrie simpelweg gelijk. Daardoor keek hij altijd raar op als ze dat eens niet deed – en bond dan morrend in. Hun huwelijk was, vond Margaret, best goed te noemen.
            Behalve dan die verrekte aardbeien.
            Vanuit het keukenraam zag ze hem bezig, in hun moestuin achter het huis. Kromgebogen over het aardbeienbed. Ja, boven dát bed kromde hij zijn rug nog wel eens. Over de prestaties die hij dáár klaarspeelde, blies hij hoog van de toren.
            Harrie wiedde onkruid en begieterde de plantjes. Voorzichtig liet hij het glas van de kweekbak naar beneden zakken. Waarom hij sinds de dood van haar vader in een masochistische kweker was veranderd, begreep ze niet.
Grimassend rechtte Harrie zijn rug. Toen zag hij Margaret voor het raam staan. Hij grijnsde zijn kunstgebit bloot.

‘Ze worden zo groot als appels dit jaar!’ verzekerde hij haar, zodra hij naar binnen kwam.
Margaret zat op de bank met een kopje citroenthee en een roze koek. Haar man plofte naast haar neer. Ze rook zijn zweet. Ooit had ze dat aantrekkelijk gevonden, die ruige geur van hard werken, maar nu rook ze ook de aarde waarin hij had zitten wroeten. Ondanks grondig handen wassen, bleef die aardlucht hangen.
‘Wat voor appels?’ vroeg ze.
‘Grote appels!’
Vanzelfsprekend.
Ze duwde een roze koek in zijn handen. Was die bij zijn aanraking in een aardbei veranderd, dan zou ze daar niet van hebben opgekeken, maar het bleef zowaar een doodgewone koek.
Harrie keek haar lange tijd aan. ‘Maak ik jou nog wel… je weet wel. Gelukkig?’
Ze gaapte hem aan. De citroenthee borrelde in haar darmen. Ze kon dat spul niet verdragen, ze had liever aardbeienthee.
‘Laat maar,’ mompelde Harrie. Een blik op haar kopje. ‘Vroeger dronk je dat nooit.’
‘Ik…’
‘Weet je nog dat ik voor het eerst bij je ouders kwam? Je vader met die aardbeien. Jij zei dat je er nooit van mocht eten, van die grote, omdat die voor de handel waren.’
Daar zat hij dan. Roze koek in zijn berenklauw, rood hoofd van de hitte, stinkend als het graf van een aardbeienkweker.
Voor haar.
Margaret liep naar de gootsteen en mikte haar citroenthee weg.
Harrie had altijd de grootste. Ook het grootste hart.




Friday, September 22, 2017

Wake - gedicht

Fantasygedicht! Deze begon ik te schrijven voor mijn manuscript, maar het gedicht ging zijn eigen leven leiden en werd een verhaal op zich. Veel leesplezier!

Wake

Op een ochtend, vroeg van uur
baadden wolken in rozig vuur
daalde stilte op d’wereld neer
lagen helden levenloos en teer.

De strijd voorbij, de slag gestreden
vele krijgers overleden
één dappere ziel liep naarstig voort
ontvluchtte gezwind het brandend oord.

Dwalend door de wolken laag
struikelde d’overlevende gestaag
door plassen plonzend in ’t moeras
tot daar doemde ’t stenen karkas.

Daar lonkten open ogen
onder zwaar bevochten bogen
in de ruïne, eeuwenoud
glansden zij, als waren zij goud

Op een avond, laat van uur
vormde duisternis een donk’re muur
een strijder stommelde naar binnen
het hoofd reeds lang niet meer bij zinnen.

De strijd voorbij, de eer verloren
lag hier alsnog het lot beschoren
in ’t verleden, achter deze poort
werd menig doodskreet al gesmoord.

Dwalend door de gangen lang
als door hiernamaals’ gevang
sleepte zij zichzelf verder
verloren ziel zo zonder herder.

daar lonkten open muilen
tussen zwaar bevochten zuilen
draken, duizend in getal
dansten op hun eigen bal

In een nacht, op dodenuur
zeeg de strijder tegen d’muur
vrees voor de dood reeds lang voorbij
zat zij stil en wachtte zij –

de strijd voorbij, genoeg gestreden
ook zij had genoeg geleden
maar de duizend dapp’re draken
namen haar niet in de kaken.

Dwalend door d’muren weerkaatst
galmde een stem met haast
een zoeker in het donk’re gebouw
vond haar behoed tegen bitt’re kou.

daar lonkten duizenden open ogen
onder eeuwenoude bogen
ontelbaar glinsterende draken
vlogen op na het lange waken.

Friday, August 25, 2017

Aanhalingstekens - niet, wel, en wie is die Elda?

Hoe werkt dit! Vertwijfeld rukte ik boeken van de plank en bladerde erdoorheen. Enkele aanhalingstekens. Dubbele aanhalingstekens. Komma vóór het einde van het citaat, komma erna. Argh, ik houd wel gewoon dit boek aan.

Ah, de zoete herinnering aan mijn eerste stapjes richting de eeuwige verdoemenis (euh, roem, bedoel ik, eeuwige roem - lach niet!) van het schrijverschap. Ik schreef een verhaal en ik worstelde met de aanhalingstekens. Uiteindelijk heb ik een boek gekozen en ben ik gaan kijken hoe de boel in dat boek werkte. Dat heb ik overgenomen. Later kwam ik erachter dat er op genoeg plaatsen informatie over opgeschreven is. Maar ja. Toen ik begon met schrijven, had ik geen 24/7 beschikking over internet. En schrijfboeken? Ik wist niet eens dat die bestonden.

Wat is het? Waar hebben we het over?

Aanhalingstekens zijn die vervelende komma-achtige dingen op je toetsenbord die je gebruikt om aan te geven dat iemand letterlijk iets zegt. Voor wie nu vertwijfeld naar zijn toetsenbord staart: 

Dáár vind je die dingen.

Jan Renkema zegt in zijn Schrijfwijzer (pagina 486) het volgende:
Aanhalingstekens worden gebruikt voor de letterlijke weergave van geschreven of gesproken woorden, en om woorden met een speciale status te markeren.
 Ik ga hier niet herhalen wat Renkema allemaal te zeggen heeft, want Renkema besteedt dik 9 pagina's aan dit leesteken. Wil je dus écht grondige informatie - pak dan je Schrijfwijzer erbij. (En als je nu denkt: hoezo, mijn Schrijfwijzer? Ik heb dat boek niet - dan wordt het tijd dat je daar verandering in aanbrengt. Koop, bestudeer, leg onder je hoofdkussen.)

Henriëtte Houët houdt het korter in Grammatica Nederlands (pagina 237):
Aanhalingstekens staan rond een letterlijk geciteerde uitspraak.
Nu weten we dus wat het is.

Enkel of dubbel?

Op je toetsenbord zie je de mogelijkheid voor enkele aanhalingstekens, dat is dat eenzame kommaatje, of dubbele, waarbij twee van die kommaatjes gebroederlijk naast elkaar staan. Ik geef zelf de voorkeur aan enkele aanhalingstekens, om de doodsimpele reden dat ik dan niet bij iedere dialoogzin de SHIFT-toets hoef in te drukken (die je nodig hebt voor de dubbele aanhalingstekens).
Als je enkele aanhalingstekens gebruikt, en je hebt een citaat in een citaat staan, dan gebruik je voor dat citaat in een citaat de dubbele aanhalingstekens. Dus zo: 
'Maar hij zei "dat is blauw", terwijl het duidelijk groen was.'
(Vergeef me dit slechte voorbeeld, het gaat om de aanhalingstekens.)
Of je nou voor 'enkel' als standaard kiest, of voor 'dubbel' - wees consequent! Dus gebruik de hele tekst door dezelfde aanhalingstekens. En 'die andere' bewaar je dus voor het citaat in een citaat.

Wanneer wel?

Nu je het aanhalingsteken kunt vinden (gefeliciteerd), gaan we eens kijken naar de functie ervan. Zoals ik eerder al zei: je gebruikt aanhalingstekens om weer te geven dat iemand letterlijk iets zegt. (Alvast een spoiler: dus NIET om weer te geven dat iemand iets denkt!) Dat gaat best vaak fout, dus knoop dit in je oren.
In de meeste (verhalende) teksten is het gebruikelijk om voor dialogen aanhalingstekens te gebruiken. Voor de gelukkigen onder ons die toevallig Joe Speedboot van Tommy Wieringa in de kast hebben staan; sla dat boek eens open. Wat zie je? Juist, streepjes in plaats van aanhalingstekens. Wat is onze taal toch heerlijk, hè.
Renkema geeft de volgende voorbeelden (pagina 488):
'Wil je koffie?' 'Nee, liever wijn.'
- Wil je koffie?
- Nee, liever wijn.
We houden het er hier maar even op dat we ze wél gebruiken, omwille van de duidelijkheid. Dat is ook hoe je het in de meeste boeken tegenkomt. Maar als je de mogelijkheid met streepjes eens wilt onderzoeken, haal dan Joe Speedboot. Het is ook nog eens een mooi boek, dus dubbele winst.

Het is gebruikelijk om sprekerwisselingen onder elkaar te zetten en niet achter elkaar. In het voorbeeld hierboven zie je al dat het verwarrend (en rommelig) wordt als je citaten van 2 personen op 1 regel plaatst. Bovendien zal een uitgever daar niet vrolijk van worden. Dus onthoud: nieuwe spreker, nieuwe regel.
Omdat ik graag met voorbeelden strooi (waar heb je anders manuscripten voor), hier een voorbeeld uit mijn manuscript Oragayn:
‘En hier moeten we die man vinden?’
‘Ik heb zijn adres.’
‘Wat doet hij hier?’
‘Zich schuilhouden, als je het mij vraagt.’
‘Voor wie? Voor de Garde?’
‘Je kunt je niet schuilhouden voor de Garde.’

Wie is Elda?

Je komt wel eens de 'elda-regel' tegen. Elda staat voor: eerst leesteken, dan aanhalingsteken. In literaire teksten wordt dit meestal toegepast, ook als het leesteken niet bij het citaat hoort. Voor het geval je nu glazig naar je scherm staart, wees gerust, ik kom met een voorbeeld.
Jantje zegt: 'Ik wil daar helemaal niet naartoe.' 
Laten we die zin als voorbeeld nemen. Wat is hier 'de zin'? De gehele zin loopt van 'Jantje' tot en met 'naartoe'. Het citaat 'Ik wil daar helemaal niet naartoe' is dus onderdeel van die gehele zin. Normaliter geldt de elda-regel alleen als het citaat aan het einde van de zin staat (dus zoals hier het geval is). Nou ja, 'normaliter' - in de meeste fictie-boeken kom je de elda-regel ook op andere momenten tegen. Dat lijkt voor fervente lezers heel logisch, maar dat is het eigenlijk niet. Kijk hier eens naar:
'Ik wil daar', zegt Jantje, 'helemaal niet naartoe.' (1)
'Ik wil daar,' zegt Jantje, 'helemaal niet naartoe.' (2)
Zoals we weten, hoort er geen komma in de zin die Jantje uitspreekt. De komma hoort dus niet bij het citaat. En dan hoort de komma eigenlijk buiten het aanhalingsteken te staan! Dat zie je in zin 1. In zin 2 passen we de elda-regel toe zoals dat vaak in fictie-teksten gebeurt: ondanks dat de komma dus niet in het citaat hoort, zetten we haar toch vóór het aanhalingsteken.
Duizelt het je? Kijk dan eens hier: volgorde komma.

Ga de elda-regel nu niet te pas en te onpas toepassen. Je kunt namelijk ook een enkel woord tussen aanhalingstekens zetten, of een woordgroep, en zelfs als dat woord aan het eind van de zin staat, mag je de elda-regel niet toepassen. Een voorbeeld:
Hij vond dat 'het einde'.
Daarbij pas je de elda-regel dus niet toe, want daar staat je leesteken (de punt) ná het aanhalingsteken.

Wanneer niet?

Als je aanhalingstekens gebruikt om gesproken tekst weer te geven, mag je het dan ook gebruiken voor gedachten? Nee.
Maar als iemand in gedachten iets zegt? Nee.
Nee, nee, nee.

Nee, dus.

Ik hoor het je al zeggen: Ja, maar hoe maak ik dan duidelijk dat het om gedachten gaat?
Nou, wat dacht je van het feit dat het dus niet tussen aanhalingstekens staat? Dat maakt de lezer immers duidelijk dat het niet hardop wordt uitgesproken.

Nu moet ik toegeven dat ik zelf valsspeel. Daarom ga ik hier nog even op in. Stel, je hebt een hoofdpersoon die denkt: Verdorie, het is waar. Dan kun je dat zo weergeven:
Verdorie, dacht ze, het is waar.
Maar ik speel dan dus vals, en ik gebruik voor letterlijke gedachten altijd cursieve tekst. Nee, dat hoort niet. Ja, ik doe dat wel, want zelf vind ik het fijner. Ik ben dus eigenwijs. Maar dan krijg je dit:
Verdorie, dacht ze, het is waar.
Nu is dit een eenvoudig voorbeeld, want hierin wordt niets gezegd. En zo komen we op het voorbeeld van de situatie waarin iemand dénkt aan wat iemand anders kan zéggen:
Hij dacht aan zijn vader. Die zou hem zeggen dat hij zijn rotzooi op moest ruimen.
Ik heb hier even de tekst van 'vader' als een indirecte gedachte neergezet. Maar wat als de hoofdpersoon nu écht letterlijk denkt wat vader zou zeggen? Nou, dan krijg je zoiets:
Ruim je rotzooi op, zou zijn vader zeggen.
Of:
Ruim je rotzooi op, zei zijn vader altijd.
Geen aanhalingstekens, dus, want het wordt niet hardop uitgesproken.

Kijk eens hier, ik heb nog een voorbeeld gevonden, uit mijn manuscript Tirisa. De eerste die hier aan het woord is, Paelli, is bevelhebber van het tweede personage, Ynndalys. Kun je je voorstellen wat er zou gebeuren als Ynndalys zijn gedachte hardop zou uitspreken:
‘Dat is dan mooi,’ zei Paelli glimlachend, ‘dan begrijpen wij elkaar.’
Vals kreng, dacht Ynndalys.
 Dat doen we dus maar niet! Je ziet, ik heb de gedachte weer cursief gezet. Dat hoeft niet (sterker nog, dat mag eigenlijk niet), maar dat is mijn voorkeur. Ga echter niet met aanhalingstekens goochelen, maar informeer jezelf en zorg ervoor dat je ze goed kunt toepassen.

Gebruikte bronnen:

  • Jan Renkema: Schrijfwijzer. Boom, Amsterdam, vijfde editie 2012. ISBN: 978 94 6105 696 2
  • Henriëtte Houët: Grammatica Nederlands. Uitgeverij Unieboek | Het Spectrum bv, Houten-Antwerpen, vijftiende druk 2010. ISBN: 978 90 274 9685 0
  • Website Taalunieversum: Taaladvies volgorde komma aanhalingsteken 

Heb ik iets gezegd wat niet waar is, wil je meer weten, wil je reageren? Dat kan via Facebook of door me te mailen.