Tuesday, October 15, 2013

Uit den ouden doosch -- Toen de lichten uit gingen

Dit verhaal vond ik vandaag in een digitale la. Met een paar kleine aanpassingen besloot ik het maar met jullie te delen - want wat moet ik er anders mee? Verhalen zijn er immers om gelezen te worden... 

Toen de lichten uit gingen

Earth Hour, noemden ze het. Een uur lang ‘het licht uit’, als blijk van waardering voor de wereld.
Niemand hield er rekening mee dat het écht donker zou worden.
Voorgoed.

Guido gaf een harde klap op zijn zaklamp. ‘Gód, nónde…’ Vlak voordat hij daadwerkelijk alles bij elkaar zou vloeken, besloten de batterijen om toch nog even mee te gaan. Een smalle, scherpe lichtbundel danste door de woonkamer. Guido slaakte een opgeluchte zucht. Hij glimlachte zenuwachtig naar zijn zus, die met grote ogen naar de zaklamp keek.
Een windvlaag sloeg de regen hard tegen het huis. De voordeur rammelde in het kozijn, de ruiten trilden onder het geweld van de regen. Guido liet de lichtbundel over de dikke gordijnen gaan, om te controleren of die nog goed dicht zaten.
‘We hebben batterijen nodig,’ zei Sara zacht.
Guido drukte de zaklamp uit. ‘Ik weet het.’ Zonder batterijen hadden ze geen licht meer, zonder licht waren ze ten dode opgeschreven.
‘Denk je dat het overal zo is?’
Guido schoof opzij, totdat hij tegen haar aan zat. Hij sloeg een arm om Sara heen, drukte haar tegen zich aan en duwde de zaklamp in haar klamme handen. ‘Ik denk het wel. Anders zou er wel hulp gekomen zijn, toch.’ In zijn stem zat geen enkele overtuiging. Hij kon zichzelf wel voor zijn hoofd slaan toen Sara, nauwelijks hoorbaar, begon te huilen. Ze probeerde zich in te houden, maar het zacht schokken van haar schouders kon ze niet onderdrukken. Haar wanhoop trok als een zwaard door Guido’s hart, haar poging om die wanhoop verborgen te houden maakte hem woedend.
Iets klapte met flink wat kracht tegen het raam. Sara verstrakte in Guido’s armen, Guido hield zijn adem in. Ze wachtten allebei totdat ze het geluid van brekend glas zouden horen, maar dat geluid bleef uit.
‘Guido…’
‘Ik weet het,’ zei hij nog een keer. Hij vroeg zich af hoe vaak hij dat zinnetje de laatste dagen al had uitgesproken. ‘We moeten hier weg.’
Sara kroop nog dichter tegen hem aan. Ze drukte haar gezicht tegen zijn schouder en hield zich krampachtig aan hem vast. ‘Ik durf niet.’
En ook dát wist hij, maar dit keer liet hij het achterwege om dat tegen haar te zeggen. Hij wilde voorkomen dat hij zelf ook in huilen zou uitbarsten.

Pijn. Alles doet pijn. De geur van bloed hangt om hem heen, de stank van rotting – van de dood. Een kopersmaak zit in zijn mond en mengt zich met de overheersende stank, maakt alles zwaar, zodat hij steeds meer moeite heeft om adem te halen.
Een reutelend, moeizaam geluid stijgt op. Het klinkt vochtig. Het herhaalt zich met zijn moeizame ademteugen – dat IS zijn ademhaling, dat geluid komt UIT HEM. Hij wil zijn ogen sluiten, maar ze zijn al dicht.
Pijn.
Stank.
Duisternis.

Ze waren op de bank in slaap gevallen, nog altijd met hun armen om elkaar. Guido werd gedesoriënteerd wakker. Pas nadat hij zich lange tijd had afgevraagd wat er zo anders aanvoelde, hoorde hij hoe stil het was.
Voorzichtig, zodat hij Sara niet wakker maakte, haalde hij haar armen van zich af. De zaklamp hield ze stevig vast. Guido deed geen poging om die uit haar vuist te halen. Hun enige lichtbron was meer dan een eenvoudig apparaat; het was hun talisman geworden. Momenteel had Sara die veel harder nodig dan hij. Hij stond op, liep op de tast naar de voorkant van de woonkamer en bleef daar voor de gordijnen staan.
Stilte.
Geen regen, geen wind – geen andere dingen. Geen gebons.
Geen auto’s. Vroeger zou ik auto’s hebben gehoord, ver weg, een hond die zat te blaffen – maar nu niets.
Guido bleef voor de dichtgetrokken gordijnen staan, zonder zijn hand uit te steken om die open te trekken.
De stilte was erger dan het eerdere lawaai.
Het was alsof de dood over de wereld neergedaald was.

Geen gevoel voor tijd meer.
Zijn arm tast opzij. Pijnscheuten schieten omhoog uit zijn borst, de beweging kost moeite en doet zeer, maar hij zet door. Zijn vingertoppen schrapen over iets hards. Dan iets zachts.
Huid.
Warm, glad, vochtig – water of bloed? Of iets anders?
Zonder zijn ogen te openen, fronst hij. Zijn vingers glijden over iets kleins. Als hij begrijpt wat hij voelt, schrikt hij.
Naast hem ligt een arm. Een arm die niet van hem is, met vier vingers aan de hand – de vijfde is verdwenen.
Voordat een naam naar het oppervlak van zijn geest kan borrelen, neemt het donkere het weer over.

‘Guido?’ Sara’s stem klonk aarzelend, angstig. Zoals ze de laatste tijd constant klonk.
Guido liep terug naar de bank. Daar stond ze voor, met de zaklamp stevig in haar handen, haar handen op de plaats van haar hart tegen haar borst gedrukt. Guido’s handen vonden die van haar, zijn ogen staarden blind in de duisternis. Hij vond haar wang, wreef daar overheen.
‘Het is stil,’ zei Sara. ‘Zou het veilig zijn?’
Guido hoorde de vage draadjes hoop die door haar woorden sijpelden. Hij liet zijn hand naar de hare gaan, nam de zaklamp over en knipte die aan – maar de batterijen waren nu echt op. Het bleef donker.
‘Hij doet het niet meer. Ik heb dat net ook al geprobeerd.’
Guido stopte de zaklamp in zijn kontzak. ‘Blijf hier.’
‘Wat ga je doen?’
‘Kijken.’
‘Nee… Guido…’
‘Dat zal toch een keer moeten, we kunnen hier niet eeuwig blijven zitten. En het is stil, net wat je zelf zegt.’
Ze protesteerde niet verder. Hij hoorde dat ze zich op de bank liet zakken.
Guido liep terug naar de gordijnen, waar de grote ramen achter zaten. Hij slikte, haalde diep adem, stak zijn hand uit en greep de dikke stof vast.

Hij heeft geen controle meer over zijn blaas. De stank van urine mengt zich met de rest. Hij ruikt het wel, maar het doet hem weinig. Die fase is hij al lang voorbij.
Gedachten tollen door zijn hoofd. Herinneringen.
Een naam.
Sara.
Het geluid van brekend glas, het geluid van hun stemmen, lachend om een flauwe grap. Alles loopt door elkaar.
Waarom was het donker? Waarom waren de lichten uit?
Zijn vingers klemmen zich nog altijd om de arm die naast hem ligt. Het is zijn enige houvast, het enige wat hem nog verbindt met de werkelijkheid. Het enige wat ertoe doet.

Een millimeter. Een centimeter.
Guido tuurde door de spleet die hij in de gordijnen had gemaakt. Zijn hypersensitieve ogen knepen zich samen toen hij felle lichtbundels op zich af zag komen. Hij opende zijn mond in een schreeuw.

Earth Hour.
‘Sara, doe niet zo stom.’
Dat had hij gezegd, toen ze met een grijns de lichten uit deed.
Een traan glijdt over zijn wang. Nu herinnert hij het zich weer.

Een groot ding kwam piepend de bocht om, schaarde, kantelde.
Vrachtwagen. Het was een vrachtwagen.
Ze woonde in een bocht, al jaren. Een bocht van een polderweg. Het grote ding…
vrachtwagen
… kwam over de polderweg op hen af. De duisternis kolkte om het grote ding heen.
dronken bestuurder?Het huis viel niet op toen de lampen uit waren gegaan.
Sara kwam naar hem toe. Guido draaide zich om, greep haar vast, sprong met haar opzij.
Brekend glas. Het geluid van iets wat lijkt op water – iets stroomt uit de tank.
‘Sara?’
Duisternis.
Het donkere gat dat hem overspoelde, opnieuw – de angst die hij beleefde, de zekerheid dat ze dit niet gingen overleven. De angst die hij op haar gezicht weerspiegeld zag, in het schijnsel van het lichtgevende ding…
koplampen!
… maar hij kon niet accepteren wat er gebeurde, hij kon het niet loslaten.
‘Sara?’ raspend spreekt hij haar naam uit. ‘Sara…’ Zijn vingers worden slap. De pijn belemmert hem. Ver weg hoort hij sirenes.

Guido schudde versuft zijn hoofd. Hij klapte tegen de zaklamp, die sputterend aan ging. Herinneringen aan brekende geluiden, aan stank, aan iets wat op water leek maar dat niet was, vervaagden.
‘Guido?’ Sara’s gezicht lichtte op in de bundel van de zaklamp.
Guido glimlachte. ‘Het komt wel goed.’
‘Wat is er buiten? Waarom is het zo donker?’ Ze fronste.
Guido zag bloed op haar wang. Hij knipperde. Het bloed verdween.
‘Regent het?’
‘We kunnen niet naar buiten, er is iets… fout gegaan.’ Hij hoorde de trilling in zijn stem, hij zag aan het wiebelen van de lichtbundel dat zijn hand ook trilde. Er drupte bloed van Sara’s hand – een hand waar een vinger te weinig aan zat.
Guido knipperde, schudde zijn hoofd nog een keer.
Alles was goed. Sara leefde nog.
Ze moesten alleen niet uit die duisternis gaan.
Ze mochten niet in het licht komen, niet in het grote licht, ze mochten niet in die lichtbundels komen.
Dan was alles goed.

Benzine.
Hij ligt klem, ergens onder. Hij tast voor de laatste keer naast zich. Hij snikt als hij voelt dat de arm bij de elleboog ophoudt.
Benzine. Sirenes.
Het licht van de koplampen, licht dat hem verblindt omdat hij er recht in kijkt.

Guido liep door het huis, trok overal de gordijnen dicht. Geen elektrisch apparaat werkte nog. Buiten zag hij slechts duisternis, vlak voor hij de gordijnen sloot. Duisternis – en dingen. Grote dingen. Dingen die brekende geluiden maakten, geluiden van glas dat het begaf, geluiden van stromende vloeistoffen.
Zodra hij klaar was, ging hij terug naar de woonkamer. Hij omarmde Sara.
Binnen waren ze veilig. Zolang ze de gordijnen dicht hielden, waren ze veilig.

De werkelijkheid probeert door de rand van zijn geest heen te breken. Hij duwt het weg.
Er is geen vrachtwagen.
Er is slechts duisternis.
Sara lacht naar hem
(Nee, ze ligt dood naast je!)
Sara lacht naar hem en doet de lichten uit. ‘Earth Hour, Guido – nooit van gehoord?’
Hij sluit zijn ogen. Omarmt de duisternis, als een deel van hem, een beschermend deel.
Hij laat de lichtbundel van de zaklamp over het gezicht van zijn zus schijnen. Hij glimlacht geruststellend. ‘Alles komt goed, Sara.’
Benzine.
Sara, levend.
Sara’s arm, zonder vinger, de stank die terugkomt, die hem probeert in de war te brengen – die door zijn bewusteloosheid heen dringt, door zijn gesloten ogen komt.
Een flits.
Dan niets meer.

Hij kon het niet loslaten.
In de duisternis was het goed.
Oneindig.
‘We hebben batterijen nodig,’ zei Sara zacht.
Guido drukte de zaklamp uit. ‘Ik weet het.’ Zonder batterijen hadden ze geen licht meer, zonder licht waren ze ten dode opgeschreven. Hij keek naar zijn zus. Hoe lang zaten ze nu in het donker? Hij wist het niet. Echt lang dacht hij er ook niet over na. Iets hield hem tegen om erover na te denken. Sara was bij hem. Dat was alles wat ertoe deed.
Hij kon het niet loslaten.

Niets dan duisternis.




Thursday, October 3, 2013

Van postkar naar kinderwagen

Voor wie het nog niet wist: het bezorgen van post is soms behoorlijk zwaar. Je hebt dagen dat je letterlijk met tientallen kilo's post aan het slepen bent, eventueel aangevuld door huis-aan-huis. Heb je wel eens een postbode met die te zwaar beladen fiets zien omvallen? Want dat soort dingen gebeuren ook. Zeker in de winter, als er sneeuw ligt, of als het geijzeld heeft.
In sommige gebouwen moet je een paar trappen op. In sommige straten moet je met bundels lopen die echt zwaar zijn. Op sommige dagen bezorg je per huis (!) gerust 5 of 6 folders, met daar bovenop de post. Zit het verkeerd gesorteerd, dan vloek je, want dan kun je weer terug lopen om die verkeerd gesorteerde brief alsnog na te brengen. Mensen die klagen over dingen die fout zijn gegaan, sta je vriendelijk te woord. Mensen die om een praatje verlegen zitten, daar praat je even mee. Soms help je iemand mee om de rollator goed neer te zetten. Soms ben je behalve postbode ook een luisterend oor.

Ik heb hier in Naaldwijk een aantal jaar de post bezorgd, maar nu ik zwanger ben is het niet meer zo prettig om die zware tassen op te tillen. Bovendien wordt het wat lastig om straks met een baby de post rond te brengen. En nee, post rondbrengen met een kinderwagen of kind rondzeulen in de postkar, daar ga ik niet aan beginnen.
Dus vandaag had ik een afscheidskoffieochtend die mijn collega's voor me hadden georganiseerd. Ik denk dat het team van Naaldwijkse postbodes zo'n beetje het liefste en gezelligste team collega's is waarin je terecht kunt komen. Behalve koffie (en cupcakes) hadden ze ook nog een ontzettend leuke tas vol verrassingen; met boekjes, kleertjes en mama oil, maar ook met daarbij deze kleertjes:



Daarvoor moet je toch bij de post werken, om zoiets te kunnen krijgen!

Ik hoop voor mijn collega's (officieel kan ik dat nu nog zeggen) dat er een rustige winter komt zonder al te veel sneeuw en gladheidsellende. En ik wil ze langs deze weg nog eens bedanken voor deze leuke en originele cadeautjes.
Heel erg bedankt! 

Friday, September 20, 2013

Zoek de verschillen - puber, verbeterde versie

Puur voor de grap: een aangepaste versie. Als het goed is zijn hier de knelpunten uitgehaald die in de vorige versie nog wel staan. 


Puber (verbeterde versie)

Het was druk in de kantine. De pauze was net een paar minuten bezig, de scholieren waren massaal naar de lange tafels gekomen. Kleine groepjes zaten in de vensterbank hun boterhammen te eten. Een lange rij leerlingen stond voor het verkooppunt van de catering te wachten totdat ze appelflappen, saucijzenbroodjes of broodjes gezond konden kopen.
Twee docenten dwarrelden tussen de zee pubers door, verloren zoals de kinderen zich meestal in hun klassen voelden. Gesprekken vielen stil als een docent in de buurt kwam, om daarna met zacht gegiechel hervat te worden.
In een hoek, naast een vensterbank, op de bovenste trede van de trap die naar het dieper gelegen deel van de kantine leidde, zat één jongen. Hij was lang en slungelig. Zijn knieën leken gemaakt van een vreemd soort rubber die alleen voorkwam in slungelige jongens die middenin hun opmars naar volwassenheid zaten. Jeugdpuistjes ontsierden zijn vooruitstekende kin en bleke wangen. Terwijl hij langzaam zijn boterham met pindakaas at, zwiepte hij af en toe met zijn hoofd kort naar links of rechts om zijn lange plukken vlassig haar uit zijn ogen te houden. Tussen zijn enkels stond zijn uitpuilende rugzak.
Dit was een jongen die nooit een boek vergat mee te nemen. Hij had altijd een extra schrift bij zich en zijn etui zat vol verschillende pennen, potloden, gummen en markeerstiften. Hij was op alles voorbereid. Toen hij klaar was met eten, diepte hij zijn agenda op uit zijn rugtas. Die moest hij met twee handen vasthouden, want de kaft was in tweeën gescheurd. Aandachtig bestudeerde hij zijn rooster. Daarna keek hij bij zijn aantekeningen van die dag. Een controle in zijn werkboek, of hij toch echt alles af had. Eenmaal tevreden gesteld, schoof hij de agenda weer terug in zijn rugtas en pakte een leesboek om de rest van de pauze door te komen.
Geen van de leerlingen om hem heen schonk enige aandacht aan hem. Er was een onzichtbare bubbel om hem heen gecreëerd. De jongen kon, als hij dat zou willen, met zijn rugtas om zich heen zwiepen zonder iemand te raken. Er werd niet naar hem gekeken. Er werd niet naar hem gewezen. Als iemand de trap op wilde lopen ging diegene liever een paar meter verderop naar boven, dan vlak langs hem te gaan.

Puber

Geschreven voor de schrijfwedstrijd van Schrijfretraite. Helaas kwam het niet op de longlist terecht (van 20 van de 246 inzendingen), dus gooi ik 'm lekker op m'n blog.

Puber

Het was druk in de kantine. De pauze was net een paar minuten bezig, de scholieren waren massaal naar de lange tafels gekomen. Kleine groepjes zaten in de vensterbank hun boterhammen te eten. Een lange rij leerlingen stond voor het verkooppunt van de catering te wachten totdat ze appelflappen, saucijzenbroodjes of broodjes gezond konden kopen.
Twee docenten dwarrelden tussen de zee pubers door, verloren zoals de kinderen zich meestal in hun klassen voelden. Gesprekken vielen stil als een docent in de buurt kwam, om daarna met zacht gegiechel hervat te worden.
In een hoek, naast een vensterbank, op de bovenste trede van de in totaal vijf treden hoge trap dat van het voorste deel naar het dieper gelegen deel van de grote kantine leidde, zat één jongen. Hij was lang en slungelig. Zijn knieën leken gemaakt van een vreemd soort rubber, een soort die alleen voorkwam in slungelige jongens die middenin hun opmars naar volwassenheid zaten. Jeugdpuistjes ontsierden zijn vooruitstekende kin en bleke wangen. Terwijl hij langzaam zijn boterham met pindakaas at, zwiepte hij af en toe met zijn hoofd kort naar links of rechts om zijn net te lange plukken vlassig haar uit zijn ogen te houden. Tussen zijn enkels stond zijn uitpuilende rugzak.
Dit was een jongen die nooit een boek vergat mee te nemen, die altijd een extra schrift bij zich had en zijn etui zat vol verschillende pennen, potloden, gummen en markeerstiften. Hij was op alles voorbereid. Toen hij klaar was met eten, diepte hij zijn agenda op uit zijn rugtas. Die moest hij met twee handen vasthouden, want de kaft was in tweeën gescheurd. Aandachtig bestudeerde hij zijn rooster. Daarna keek hij bij zijn aantekeningen van die dag. Een controle in zijn werkboek, of hij toch echt alles af had. Eenmaal tevreden gesteld, schoof hij de agenda weer terug in zijn rugtas en pakte een leesboek om de rest van de pauze door te komen.
Geen van de leerlingen om hem heen schonk enige aandacht aan hem. Er was een onzichtbare bubbel om hem heen gecreëerd. De jongen kon, als hij dat zou willen, met zijn rugtas om zich heen zwiepen zonder iemand te raken. Er werd niet naar hem gekeken. Er werd niet naar hem gewezen. Als iemand de trap op wilde lopen ging diegene liever een paar meter verderop naar boven, dan vlak langs hem te gaan.
Hij was alleen.

Monday, July 15, 2013

Hoor wie klopt daar...

Iedere dag zo rond dezelfde tijd hoor ik het. Een zacht, tikkend geluid, alsof iemand op het raam staat te kloppen. Maar als ik uit het raam kijk, zie ik niemand. En voor een ongeduldige bezoeker die de bel niet kan vinden, is het geluid ook eigenlijk te zacht.
Toch komt dat zachte tikken, of kloppen, iedere dag weer terug. Heel even. Klop, klop, klop. Klop. Weg.
Hebben we een klopgeest? Eén die overdag opereert en die niets anders doet dan tegen het raam tikken?
Nee.
Het is een hommel.

Of het iedere dag dezelfde is, dat weet ik niet, maar hij komt wél iedere dag even kloppen. Zo rond dezelfde tijd vliegt hij een keer of vijf tegen het raam met zijn dikke hommellijf. Alsof hij de weg naar onze tuin iedere dag even kwijt is. Misschien is hij een beetje vergeetachtig, die hommel. Of misschien is het wel een klophommel. Dat is weer eens wat anders dan een klopgeest.

Thursday, June 27, 2013

Wachten op de postbode

Het gebeurt vaak genoeg dat mensen staan te wachten totdat ik langs ben geweest. Sommige verwachten een televisiegids, andere zijn jarig of waren toch juist toevallig onderweg naar binnen en wachten dan even tot ze de post meteen mee kunnen nemen.

Vandaag werd ik ook opgewacht, of die mevrouw was gewoon net toevallig onderweg naar haar deur. Hoe dan ook, ze deed de deur open juist toen ik aankwam en vertelde dat ze belangrijke post verwachtte. Nou, ik had één envelop bij, dus daar moest het dan in zitten. En ja, het was het goede. Vandaag kreeg ze namelijk te horen of haar zoon was toegelaten tot de studie geneeskunde. Waarop ze enigszins verlangend naar de envelop keek en eraan toevoegde dat ze 'm nog niet mocht openen. Ze moest tot half vijf wachten. (Ik nam dan maar aan dat de zoon in kwestie zo rond half vijf vandaag huiswaarts keert.) In de tussentijd kon ze alleen naar die envelop kijken. Ik vraag me af of ze de brief op de keukentafel heeft gelegd en hoe vaak ze er vandaag al langs is gelopen. Ik bezorgde de post vanochtend, ik was daar rond kwart over tien. Ze moet dus nog even wachten...


Sunday, May 19, 2013

Jacht

Een probeerseltje. Soms is het gewoon leuk om iets mafs te schrijven.


Jacht

 Een hond had de nieuwe brug ingewijd. In mijn poging de door hem achtergelaten verering te ontwijken, struikelde ik over mijn eigen voeten. Gelukkig had de ontwerper aan onhandige types zoals ik gedacht en kon ik mij opvangen aan de reling.
            Ik bleef staan, met mijn knokige vingers om de koude, metalen levensredder geklemd, de drol vergeten, mijn ogen in stille fixatie gericht op het witte jacht dat minuten onderdeel zou uitmaken van mijn fysieke leven, om daarna voorgoed in mijn denkwereld in te breken, zich vast te grijpen, innestelen, begraven. Het was niet het jacht. Het was de vrouw die aan het roer stond. Mijn evenbeeld, als ik een vrouw was geweest, maar dan perfecter. Trots, fier rechtop, stralend zelfverzekerd. Voor haar zou de darminhoud van canis lupus familiaris uit zichzelf opzij zijn gekropen.
            Dat moest haar zijn. Zij.
            Maar terwijl ik dat dacht, verdween het jacht onder de brug. De witte achterkant schitterde in de scherpe zonnestralen en liet mij kortstondig verblind achter. Ik boog verder voorover, zo stupide als een blinde koe die eerst tegen een muur moet lopen voordat hij doorheeft dat de muur bestaat, zo staarde ik naar de onderkant van de brug. Daarna draaide ik mij om.
            Het jacht voer verder. De achterkant kwam net onder de brug vandaan.
            Haar licht turquoise jurk wapperde in de zomerbries die haar zachte, heldere zangstem naar mij droeg, pestend, de harde wansmaak van de natuur die wist dat ik het niet kon weten, dat ik er nooit achter kon komen. Maar zij zong verder, een eenvoudig lied, trefzeker. En ik luisterde. Totdat ook de wind genoeg kreeg van mijn trieste verschijning en alleen het geluid van een langsrazende vrachtwagen mijn oren nog vulde. Ik keek het jacht na en zag het een witte waas worden. Mijn ogen waren troebel van het staren zonder knipperen, mijn keel was droog van het door open mond ademen. Twee stappen deed ik naar voren. Mijn linkervoet gleed weg over iets smeuïgs. De stank van hondenuitwerpselen verdreef haar zoete stem tijdelijk uit mijn geheugen.
            Die stem die zich samen met dat jacht in mijn hoofd heeft vastgebeten.
            Zij was het. Ik weet het zeker.
            Of toch niet?