Friday, January 5, 2018

Vyran

Het heeft altijd iets speciaals als een manuscript af is. Maandenlang heb ik er keihard aan gewerkt. Er waren dagen dat ik meer tekst verwijderde dan dat ik erbij schreef, er waren dagen dat ik bijna wanhopig werd van de weerbarstige grillen van het verhaal, en er waren dagen dat mijn handen tijdens het typen mijn hoofd bijna niet konden bijbenen. Schrijven kan raar, vermoeiend, energiegevend, bizar en doodeenvoudig zijn. Tijdens het schrijven van Vyran heb ik alle kanten van het schrijven wel gehad - en nu staat het verhaal er.
Het leek mij een mooi moment om te vertellen waar ik de afgelopen maanden nou eigenlijk aan heb gewerkt.



Op Facebook had ik de titel al een keer voorbij laten komen. Vyran is een verhaal over veerkracht en moed. Over Héléna, een vrouw die hoge officier is in de militaire elite van haar land, die haar werk moet zien te combineren met haar gezin (ze is getrouwd en heeft een zoon). Over haar man, Vesaljev, zelf ook officier, bevelhebber van zijn vrouw. Vesaljev stuurt Héléna op een levensgevaarlijke missie. Ze moet een corrupte collega arresteren - maar die laat zich niet zomaar oppakken ...

Vyran is een high-fantasy roman. Het verhaal speelt zich af in een verzonnen wereld, in een land waar discriminatie wettelijk verboden is, waar landen samenwerken om een misdadiger te kunnen arresteren, waar het raar wordt gevonden als iemand een vrouw minder waard vindt dan een man. Oh, en magie speelt een hele grote rol (en is absoluut niet voorbehouden aan magiërs). Dit verhaal is los te lezen. Natuurlijk lopen er wel personages in rond die ook in mijn andere verhalen aan bod komen.

Maar eigenlijk, in plaats van erover te vertellen, laat ik liever het verhaal voor zich spreken. Daarom plaats ik hier het allereerste stuk van het verhaal. Dit is hoe het nu begint, dit is wat er voorlopig staat. Wat mij nu rest, is ooit een uitgever vinden ...

----



Hedorn (Fréyutan), Midzomer 559
1

Alles deed zeer. Héléna had blauwe plekken op haar armen, benen en handen. Haar lip voelde dik aan, maar vanuit welke hoek ze haar gezicht ook bekeek in de spiegel, die dikke lip was niet te zien. De blauwe plekken en schrammen bleven verborgen onder de kleding van haar uniform.
Het was nog nacht, maar nu al warm. Het werd vast en zeker weer een plakkerige zomerdag. Héléna wierp een laatste blik op de spiegel en liep de slaapkamer uit. Beneden stak ze haar hoofd om de keukendeur. Een brandende lamp op de tafel verlichtte de keuken. Het fornuis was aangestoken, een pannetje met water en eieren pruttelde zachtjes. Maron sneed net een stuk af van een homp donkerbruin brood.
‘Maron,’ zei Héléna.
De gezette, kale man keek op en liet zijn mes zakken. ‘Gaat u weer weg zonder te eten?’
‘Ik heb haast.’
‘De eieren zijn klaar, vrouwe.’ Hij nam de pan van het fornuis. Met een zeefje schepte hij een ei op en doopte die in een kom koud water. Ondertussen bekeek hij haar. ‘U ziet er moe uit, als ik zo vrij mag zijn.’
Daar gaf ze geen antwoord op. Zwijgend nam ze het warme ei en een servet aan.
‘Vrouwe…’ Maron wreef over zijn hoofd. ‘Zijn er problemen? Tussen u en heer Van Mubay?’
Onwillekeurig ging ze met haar tong langs de binnenkant van haar pijnlijke lip. ‘Waarom vraag je dat?’
‘Hij is er niet. En u ziet eruit alsof u uit een veldslag bent gekomen.’
‘Ik heb gisteren met de koning en Vesaljev getraind,’ zei ze. ‘Dus dat laatste is niet zo vreemd. Ves had geen tijd om naar huis te komen vannacht. Ik kan niet uitleggen waarom, maar trek alsjeblieft geen conclusies die er niet zijn.’ Ze wilde weggaan, maar bedacht zich. ‘Maron, wordt er over mij en Ves geroddeld?’
Snel wendde hij zijn blik af.
‘Maron,’ drong Héléna aan, nu iets minder vriendelijk.
‘Neem me niet kwalijk, vrouwe. U bent nooit zo afstandelijk geweest. En heer Van Mubay laat zich helemaal niet zien.’
‘Dus als wij het druk hebben, zal ons huwelijk wel op de klippen lopen?’
‘Zachary vroeg gisteren of jullie binnenkort op missie moesten,’ zei Maron.
‘Farridah.’ De zachte vloek dwarrelde door de keuken, waarop Maron een wenkbrauw optrok. Héléna ging op een stoel zitten en begon het ei te pellen.
‘Ik weet dat het mijn zaken niet zijn,’ zei Maron, ‘maar…’ Hij wist niet wat hij moest zeggen. Uiteindelijk plaatste hij een bord met een snee brood voor Héléna neer, zette er de botervloot en een mes bij en ging tegenover haar zitten.
‘Vroeg Zach dat echt?’ vroeg Héléna.
‘Ja, vrouwe.’
Ze haalde diep adem. ‘Het is niet ons huwelijk, Maron.’ Zorgvuldig besmeerde ze haar brood met boter en belegde het met ei. ‘Ik hoop dat ik op je kan rekenen. Het is niet de bedoeling dat half Hedorn straks weet dat de Gardecommandant niet thuis komt slapen.’
‘Ik hak eerder mijn tong af dan dat ik die informatie zomaar in het rond blaat, vrouwe. Ik ben geen beginneling.’
‘Dat weet ik.’ Ze nam een hap, kauwde, slikte door. ‘Wat heb je tegen Zach gezegd?’
‘Dat hij zich geen zorgen moet maken. Maar het zou meer indruk maken als u of heer Van Mubay dat zélf tegen hem zei.’
‘Ik ga zo naar hem toe. Ik ga niet zomaar weg zonder hem gedag te zeggen.’
‘Het was geen verwijt…’
‘Dat was het wel. En terecht. Jij ziet hem meer dan zijn ouders.’
‘Met uw werk is dat niet zo vreemd.’
‘Met mijn werk leer je juist hoe fragiel het leven is. Ik zou beter moeten weten.’
Maron stond op en schonk een glas water in.
‘Ik kan het niet uitleggen, Maron. Ik kan je alleen zeggen dat het met de Garde te maken heeft.’
‘Dan moet het wel ernstig zijn, als er zelfs niet genoeg tijd is om thuis de nacht door te brengen.’
‘Daar ga ik niet op in.’
‘Wat kan ik doen?’ vroeg Maron.
Ze nam dankbaar het glas water aan en dronk het in één keer leeg. Daarna stond ze op. ‘Je werk. Bedankt voor het ontbijt. Je had niet zo vroeg op hoeven staan.’
‘Dat is mijn werk, vrouwe,’ was zijn kalme antwoord.
Ze glimlachte. Een steek van pijn schoot door haar lip, waardoor haar glimlach snel verschrompelde, maar dat zag Maron niet. Hij had zich alweer naar het aanrecht gekeerd.
‘Ik maak hier wel eiersalade van,’ zei hij, meer tegen zichzelf dan tegen haar.
Héléna liet hem begaan. Ze ging de keuken uit, de gang door, richting de wapenkamer. Daar haalde ze haar wapenriem op met haar wapens. Bij de kapstok griste ze haar mantel mee en terwijl ze die vastknoopte, ging ze de trap op.
Voor de slaapkamer van haar zoon bleef ze staan. De deur stond op een kier, zoals altijd. Ze stak haar hand uit, legde haar vingers tegen het warme hout van de deur en duwde. Toen ze de drempel over stapte, was het alsof ze haar uniform, werk en kneuzingen in de gang liet liggen.



Monday, October 23, 2017

Het verhaal van je dialoog

In de meeste verhalen kom je dialoog tegen. Soms lees je pagina’s dialoog, zonder dat je doorhebt dat het gesprek zoveel pagina’s beslaat. Soms lees je een halve pagina dialoog en ben je blij als de personages eindelijk de mond worden gesnoerd door de schrijver. De ene dialoog is de andere niet, en persoonlijke voorkeur (van lezer en schrijver) speelt een grote rol bij de beleving van de dialoog.
Ik hou van een goede dialoog. En ik erger me dood aan boeken/verhalen waarin dialogen mij uit het verhaal trekken, om wat voor reden dan ook. Vandaag ga ik dieper in op het fenomeen “dialoog”.

Definitie: waar hébben we het over?
Kort gezegd: een dialoog is een gesprek tussen twee of meer personen. In een verhaal wordt dat doorgaans weergegeven door iedere nieuwe spreker op een volgende regel te plaatsen, en door aanhalingstekens te gebruiken. Dus dat ziet er dan zo uit:

‘Een dialoog.’
‘Analoog?’
‘Nee, dialoog. Zo’n gesprek, weet je wel. Tussen twee personen.’
‘Oh. Ja, leuk.’

Schrijf je verhalen en gebruik je daarbij dialoog, dan kom je er al snel achter: hoe “realistischer” de dialoog, hoe minder bruikbaar hij is. In het “echt” praat je immers met zinloze stopwoordjes, herhalingen, etc. Dat kun je in een verhaal niet gebruiken. Nee, in een verhaal ga je het terugbrengen tot de essentie. Ik citeer Gerard Reve, die op zijn beurt weer geciteerd wordt in het boek Schrijven van gedichten en verhalen, van Cees van der Pluijm:

‘Het belang van de dialoog in het verhalend proza wordt maar al te vaak onderschat. Men beseft onvoldoende dat een werkelijk plaats gevonden hebbende dialoog zo goed als nooit bruikbaar is. […] De dialoog is één van de moeilijkste opgaven voor de auteur.’
(Schrijven van gedichten en verhalen, p. 238-239)

Babbelende bazelaars en morrelende mompelaars
Het is natuurlijk fijn dat we weten wat dialoog ís, maar nu zou het ook fijn zijn als we begrijpen wat dialoog dóét. Ik begin met een bewering waar je als beginnend auteur niet op zit te wachten, want dit levert meer vragen op dan antwoorden: met een dialoog kun je alle kanten op.
Lekker vaag, hè. Ik weet het.
Concreet: in een dialoog kun je informatie verwerken.
Nu wordt het interessant. Want wat voor informatie kun je erin verwerken? Ook daar gaan we weer alle kanten op.
Niet alleen wát iemand zegt, heeft gevolgen voor de beeldvorming van een personage, maar ook hóé hij het zegt. Praat je personage met deftige woorden, gebruikt hij lange zinnen, of is hij juist van het binnensmonds gemompel? Gebruik je dialect in je dialoog, gooi je er straattaal doorheen, laat jij je personages vloeken?
Dit zijn vragen waarover je moet nadenken. Een koning praat doorgaans anders dan een straatschoffie. En als er net iets ergs is gebeurd, is het fijn als een personage daar realistisch op reageert.

‘Nee… Poekie…’ Tamara keek naar haar kat. Het beestje lag dood in een plas bloed, de schroevendraaier stak nog uit zijn nek. Wie had dat gedaan? ‘Jeetje, nee!’ zei Tamara.

Bovenstaand voorbeeld is een bewerking van wat ik ooit daadwerkelijk in een boek ben tegengekomen. Ik zat zowat tegen het plafond aan. “Jeetje”? Alsjeblieft, zeg! Als ik zoiets zie, krijg ik de neiging om zo’n boek een zwieper te geven. Mét bijbehorende vloek. Wie zegt er nou toch “jeetje” als z’n kat bruut is vermoord!
Nou ja, misschien zijn er wel mensen die dat zeggen. Dat zou best kunnen. Maar ik had grover taalgebruik in dit geval toch wel op z’n plaats gevonden. Punt is: denk na over wat je een personage laat zeggen, want het heeft gevolgen voor de leesbeleving.

En niet alleen wát een personage zegt. Ook hóé iemand het zegt.

‘En toen zei ik, ik zei: “We gaan lekker naar de film, jongen”, en toen zei hij, zegt-ie gewoon: “Daar heb ik helemaal geen zin in!” Ken je dat nou geloven?’
 ‘Ik nodigde hem uit om samen naar de bioscoop te gaan. Hij had geen zin. Ik snap er niets van.’

Zelfde boodschap, totaal andere manier van spreken. Ook in het echte leven kom je wel eens van die babbelaars tegen, mensen die 5 kwartier in een uur praten. Zulke personen lopen in verhalen ook rond. Dat kun je gebruiken in een dialoog.

Leest het vlot of kabbelt het oeverloos voort?
Doorgaans (gemiddeld genomen) leest een dialoog vlot door. Er is sprake van een soort actie-reactie gebeuren: personage A praat, personage B reageert daarop, soms komt personage C dan met nieuwe input. Vaak is de halve pagina leeg, als het om een dialoog met korte zinnen gaat. Hieronder een voorbeeld, afkomstig uit mijn manuscript Trustys:

‘Hoe laat was je klaar?’
‘Pas laat op de avond, heer. Het was al donker.’
Vesaljev maakte een ga-verder gebaar met zijn hand. ‘Wat deed je toen?’
‘Ik had honger, generaal. Ik ging naar Frank – naar De Bokkige Geit.’
‘Waarom daarheen? Er zit een kroeg bij je op de hoek. De Bokkige Geit is een eind verder.’
‘U bedoelt De Dikke Dame?’
‘Ja.’
‘Bent u daar weleens geweest?’
Vesaljev trok zijn wenkbrauwen op.
‘Als u daar uw glas neerzet, moet u dat met een beitel loswrikken. Ik kom daar nooit.’
‘Dus je ging eten in De Bokkige Geit. Wat gebeurde er toen je daar aankwam?’
(Trustys, Ninja Paap-Luijten)

Soms staat er slechts één woord op een regel. Dat is vaker het geval bij dialogen. Natuurlijk heb je ook boeken waarin personages soms hele monologen houden, verhalen die hele pagina’s beslaan – maar grof geschat kun je toch wel stellen dat de moderne dialoog meestal bestaat uit relatief korte, elkaar snel opvolgende stukken. En dat maakt dat een dialoog meestal je tekst versnelt. Kun je er ook mee vertragen? Jazeker, maar dat is afhankelijk van hoe je die dialoog opbouwt. Laat je de personages langer per persoon aan het woord, dan leest het meestal trager dan met die korte zinnen en snelle afwisselingen zoals in het voorbeeld hierboven. (En ook hier speelt woordkeuze een rol. Ingewikkeld taalgebruik leest voor de gemiddelde lezer iets langzamer dan eenvoudig taalgebruik.)
Let wel op: een dialoog die bestaat uit oeverloos gezwam, kan natuurlijk nog steeds vertragend werken. Als je de lezer verveelt, ben je immers ook vertragend bezig.

Het karakter van je personage
De dialoog is zeer geschikt om iets te ‘laten zien’ over het karakter van je personage. Het zegt soms ook iets over de verhoudingen tussen de personages. In bovenstaand voorbeeld zie je al dat er een verschil in beleefdheidsvorm is: de ene zegt ‘u’, de andere ‘jij’. Maar een dialoog kan ook iets zeggen over de gemoedstoestand van je personage. Of over het karakter van je personage; wat voor iemand is hij, hoe reageert hij, wat zegt dat over hem? Kies je ervoor om de directe rede (dat wat daadwerkelijk wordt gezegd) te ondersteunen in de tekst eromheen, of laat je dat achterwege? Nog een voorbeeld, weer uit een van mijn eigen manuscripten, dit keer uit Oragayn:

Aaron ging zitten. Met de handdoek depte William zijn gezicht warm. Hij zeepte hem in, pakte het vlijmscherpe scheermes en plaatste het lemmet tegen de keel van de magiër. Aaron keek steels naar William.
‘U weet wat u doet hoop ik?’ vroeg hij.
William trok een wenkbrauw op. Ineens was hij ‘u’. ‘Ik heb dit vaker gedaan.’
‘Bij een ander.’
‘Ja.’
‘U had kapper moeten worden, dan?’
‘Daar ben ik niet geduldig genoeg voor. Zit stil.’
Aaron ademde huiverend uit. ‘Farridah, ik wil een borrel.’
Daar reageerde William niet eens op. Soepel haalde hij het scheermes over Aarons huid.
(Oragayn, Ninja Paap-Luijten)

Twee dialogen. Enkele overeenkomsten: in beide voorbeelden maak ik gebruik van de invloed van de beleefdheidsvorm (“u”) en in beide voorbeelden wordt er een wenkbrauw opgetrokken. Die opgetrokken wenkbrauw maakt overigens net zo goed deel uit van de dialoog: lichaamstaal! En wat te denken van de taal van het scheermes, in dit laatste voorbeeld? Dat ding ligt tijdens het gesprek tegen de keel van Aaron. William is niet bang dat hij iets verkeerd zal doen – hij heeft immers vaker iemand geschoren – maar Aaron ziet het niet zo zitten.
Waarom dit voorbeeld, als ik het over karakter heb? Nou, William is hier officier. Hij heeft bevel om Aaron mee te nemen, maar kiest ervoor om hem eerst te fatsoeneren. Daarbij blijft hij beleefd (terwijl Aaron vlak hiervoor allesbehalve beleefd is geweest, dat viel buiten het voorbeeld). Wat hij zegt, vertelt bovendien iets over het verleden van William: ‘Ik heb dit vaker gedaan.’ – kennelijk heeft hij ervaring met het scheren van mannen. Hoe, waarom – dat staat er niet. Behalve officier is hij ook een man met een hart. Iemand die moeite doet voor een ander.

Pas trouwens wel op met het gebruik van lichaamstaal. Te veel, en de dialoog verzuipt in de opgetrokken wenkbrauwen, het geschuifel met voeten, het zwaaien van armen, het “die keek naar die”, en de op elkaar geperste lippen. Geniet van lichaamstaal, maar gebruik het met mate.

Dialoog als infodump?
Wat ik persoonlijk echt bezwaarlijk vind: als ik bij het lezen van een tekst kan proeven dat een dialoog puur en alleen misbruikt wordt om informatie aan de lezer door te geven. Ik heb niets tegen informatie in een tekst, maar stop dat lekker in de lopende tekst en dring het niet op aan je personages. Iedereen kent de voorbeelden uit populaire politieseries, waarbij zulk soort dialogen ontrollen:

‘Dat doen we met die machine. Je weet wel, die analyseert het bloed.’
‘Ja, daar komt dan een dna-profiel uit.’
‘Precies. En met een beetje geluk komt er dan een verdachte uit het bestand rollen.’
‘Als we een dna-match hebben, is dat genoeg bewijs om die verdachte op te pakken.’

Dit “voorbeeld” (ik heb even wat in elkaar verzonnen) is bedoeld ter illustratie van wat er vaak gebeurt: twee experts die aan elkaar uitleggen wat ze aan het doen zijn. Ik denk niet dat twee échte onderzoekers aan elkaar gaan uitleggen waarvoor bloedmonsters bedoeld zijn! Dit is pure infodump. Ook vaak gebruikt: mentor legt dingen uit aan leerling, expert verklaart van alles aan leek, etc. Soms werkt het. Soms werkt het juist helemaal niet. Wees je ervan bewust als je dit soort constructies gebruikt, en probeer gerust na te denken over alternatieven. Hoe “gemakkelijk” het soms ook is om alles in een dialoog te pleuren: van gemakzucht is nog nooit iemand een betere schrijver geworden.
(Voor mijn proeflezers: deze uitspraak mag tegen me gebruikt worden.)
Wat ik als vuistregel aanhoud: als je personages aan elkaar dingen gaan uitleggen die ze allebei weten, dan klopt er iets niet. Maar daarnaast is er nog een enorm grijs gebied. Wanneer er precies te veel informatie in een dialoog staat, en wanneer te weinig, dat is iets wat je per tekst zult moeten bekijken. Per tekst, én per doelpubliek. De ene lezer heeft nu eenmaal meer extra informatie nodig dan de andere.

Verandering van spijs doet eten
Ik heb persoonlijk zelden dialogen die louter en alleen uit directe rede bestaan. Cees van der Pluijm zegt er het volgende over:

‘Het is van belang de directe rede zo veel mogelijk af te wisselen met samenvattingen, indirecte rede, vertellerscommentaar en beschrijvingen.’
(Schrijven van gedichten en verhalen, p. 245)

Er zijn schrijvers die hele boeken kunnen vullen met bijna alleen maar dialoog in directe rede, maar laten we wel wezen: dat zijn uitzonderingen. Over het algemeen is het aan te raden om af te wisselen.

Het schrijven van een goede dialoog is absoluut niet eenvoudig. Hoewel het soms zomaar eruit komt rollen, wil dat niet zeggen dat het altijd zo vanzelfsprekend eenvoudig gaat. Experimenteer erop los, zoek uit wat je zelf fijn vindt. Gebruik dialect, vakjargon, dump eens voor de gein volop informatie in de dialoog en kijk wat er dan gebeurt. Leef je uit. Dat is, denk ik, de beste manier om uit te vogelen hoe dialoog in jouw teksten werkt, wat je ermee kunt en – niet onbelangrijk! – hoe je jezelf kunt verbeteren.


 Gebruikte bronnen:
  • Cees van der Pluijm: Schrijven van gedichten en verhalen. Uitgeverij de Contrabas, Utrecht, Leeuwarden, 2008 – isbn 978 90 79432 09 7
  • De Schrijfbijbel. TenPages.com, 2013 – isbn 978 94 91553 00 4
  • Jan Brokken: Het hoe. Uitgeverij Atlas Contact, Amsterdam/Antwerpen, derde druk 2016 – isbn 978 90 457 0461 6
  • Mijn eigen manuscripten

Sunday, October 8, 2017

Harrie - kort verhaal

Harrie


Harrie had altijd de grootste. Daar stond hij om bekend. Wie onwetend was van Harries vermogen om tot een groot formaat te komen dat het sap weelderig over de tong liet stromen, bleef nooit lang in de waan dat hij aan normale proporties deed. Hij schepte er namelijk dolgraag over op. Nee, over de enormiteit van Harries aardbeien werd nooit getwist. Al helemaal niet met Harrie zelf. Tenzij je hem voor het eerst sprak of een heimelijk verlangen koesterde om hersendood te raken door oneindig geouwehoer over aardbeien, ging je niet met hem in discussie.
            Zelfs niet als je met hem getrouwd was.

Margaret discussieerde al jaren niet meer met haar man. Als je veertig jaar getrouwd was, waren er ruwweg twee mogelijkheden: óf je discussieerde altijd, óf je deed dat nooit. Meestal gaf zij Harrie simpelweg gelijk. Daardoor keek hij altijd raar op als ze dat eens niet deed – en bond dan morrend in. Hun huwelijk was, vond Margaret, best goed te noemen.
            Behalve dan die verrekte aardbeien.
            Vanuit het keukenraam zag ze hem bezig, in hun moestuin achter het huis. Kromgebogen over het aardbeienbed. Ja, boven dát bed kromde hij zijn rug nog wel eens. Over de prestaties die hij dáár klaarspeelde, blies hij hoog van de toren.
            Harrie wiedde onkruid en begieterde de plantjes. Voorzichtig liet hij het glas van de kweekbak naar beneden zakken. Waarom hij sinds de dood van haar vader in een masochistische kweker was veranderd, begreep ze niet.
Grimassend rechtte Harrie zijn rug. Toen zag hij Margaret voor het raam staan. Hij grijnsde zijn kunstgebit bloot.

‘Ze worden zo groot als appels dit jaar!’ verzekerde hij haar, zodra hij naar binnen kwam.
Margaret zat op de bank met een kopje citroenthee en een roze koek. Haar man plofte naast haar neer. Ze rook zijn zweet. Ooit had ze dat aantrekkelijk gevonden, die ruige geur van hard werken, maar nu rook ze ook de aarde waarin hij had zitten wroeten. Ondanks grondig handen wassen, bleef die aardlucht hangen.
‘Wat voor appels?’ vroeg ze.
‘Grote appels!’
Vanzelfsprekend.
Ze duwde een roze koek in zijn handen. Was die bij zijn aanraking in een aardbei veranderd, dan zou ze daar niet van hebben opgekeken, maar het bleef zowaar een doodgewone koek.
Harrie keek haar lange tijd aan. ‘Maak ik jou nog wel… je weet wel. Gelukkig?’
Ze gaapte hem aan. De citroenthee borrelde in haar darmen. Ze kon dat spul niet verdragen, ze had liever aardbeienthee.
‘Laat maar,’ mompelde Harrie. Een blik op haar kopje. ‘Vroeger dronk je dat nooit.’
‘Ik…’
‘Weet je nog dat ik voor het eerst bij je ouders kwam? Je vader met die aardbeien. Jij zei dat je er nooit van mocht eten, van die grote, omdat die voor de handel waren.’
Daar zat hij dan. Roze koek in zijn berenklauw, rood hoofd van de hitte, stinkend als het graf van een aardbeienkweker.
Voor haar.
Margaret liep naar de gootsteen en mikte haar citroenthee weg.
Harrie had altijd de grootste. Ook het grootste hart.




Friday, September 22, 2017

Wake - gedicht

Fantasygedicht! Deze begon ik te schrijven voor mijn manuscript, maar het gedicht ging zijn eigen leven leiden en werd een verhaal op zich. Veel leesplezier!

Wake

Op een ochtend, vroeg van uur
baadden wolken in rozig vuur
daalde stilte op d’wereld neer
lagen helden levenloos en teer.

De strijd voorbij, de slag gestreden
vele krijgers overleden
één dappere ziel liep naarstig voort
ontvluchtte gezwind het brandend oord.

Dwalend door de wolken laag
struikelde d’overlevende gestaag
door plassen plonzend in ’t moeras
tot daar doemde ’t stenen karkas.

Daar lonkten open ogen
onder zwaar bevochten bogen
in de ruïne, eeuwenoud
glansden zij, als waren zij goud

Op een avond, laat van uur
vormde duisternis een donk’re muur
een strijder stommelde naar binnen
het hoofd reeds lang niet meer bij zinnen.

De strijd voorbij, de eer verloren
lag hier alsnog het lot beschoren
in ’t verleden, achter deze poort
werd menig doodskreet al gesmoord.

Dwalend door de gangen lang
als door hiernamaals’ gevang
sleepte zij zichzelf verder
verloren ziel zo zonder herder.

daar lonkten open muilen
tussen zwaar bevochten zuilen
draken, duizend in getal
dansten op hun eigen bal

In een nacht, op dodenuur
zeeg de strijder tegen d’muur
vrees voor de dood reeds lang voorbij
zat zij stil en wachtte zij –

de strijd voorbij, genoeg gestreden
ook zij had genoeg geleden
maar de duizend dapp’re draken
namen haar niet in de kaken.

Dwalend door d’muren weerkaatst
galmde een stem met haast
een zoeker in het donk’re gebouw
vond haar behoed tegen bitt’re kou.

daar lonkten duizenden open ogen
onder eeuwenoude bogen
ontelbaar glinsterende draken
vlogen op na het lange waken.

Friday, August 25, 2017

Aanhalingstekens - niet, wel, en wie is die Elda?

Hoe werkt dit! Vertwijfeld rukte ik boeken van de plank en bladerde erdoorheen. Enkele aanhalingstekens. Dubbele aanhalingstekens. Komma vóór het einde van het citaat, komma erna. Argh, ik houd wel gewoon dit boek aan.

Ah, de zoete herinnering aan mijn eerste stapjes richting de eeuwige verdoemenis (euh, roem, bedoel ik, eeuwige roem - lach niet!) van het schrijverschap. Ik schreef een verhaal en ik worstelde met de aanhalingstekens. Uiteindelijk heb ik een boek gekozen en ben ik gaan kijken hoe de boel in dat boek werkte. Dat heb ik overgenomen. Later kwam ik erachter dat er op genoeg plaatsen informatie over opgeschreven is. Maar ja. Toen ik begon met schrijven, had ik geen 24/7 beschikking over internet. En schrijfboeken? Ik wist niet eens dat die bestonden.

Wat is het? Waar hebben we het over?

Aanhalingstekens zijn die vervelende komma-achtige dingen op je toetsenbord die je gebruikt om aan te geven dat iemand letterlijk iets zegt. Voor wie nu vertwijfeld naar zijn toetsenbord staart: 

Dáár vind je die dingen.

Jan Renkema zegt in zijn Schrijfwijzer (pagina 486) het volgende:
Aanhalingstekens worden gebruikt voor de letterlijke weergave van geschreven of gesproken woorden, en om woorden met een speciale status te markeren.
 Ik ga hier niet herhalen wat Renkema allemaal te zeggen heeft, want Renkema besteedt dik 9 pagina's aan dit leesteken. Wil je dus écht grondige informatie - pak dan je Schrijfwijzer erbij. (En als je nu denkt: hoezo, mijn Schrijfwijzer? Ik heb dat boek niet - dan wordt het tijd dat je daar verandering in aanbrengt. Koop, bestudeer, leg onder je hoofdkussen.)

Henriëtte Houët houdt het korter in Grammatica Nederlands (pagina 237):
Aanhalingstekens staan rond een letterlijk geciteerde uitspraak.
Nu weten we dus wat het is.

Enkel of dubbel?

Op je toetsenbord zie je de mogelijkheid voor enkele aanhalingstekens, dat is dat eenzame kommaatje, of dubbele, waarbij twee van die kommaatjes gebroederlijk naast elkaar staan. Ik geef zelf de voorkeur aan enkele aanhalingstekens, om de doodsimpele reden dat ik dan niet bij iedere dialoogzin de SHIFT-toets hoef in te drukken (die je nodig hebt voor de dubbele aanhalingstekens).
Als je enkele aanhalingstekens gebruikt, en je hebt een citaat in een citaat staan, dan gebruik je voor dat citaat in een citaat de dubbele aanhalingstekens. Dus zo: 
'Maar hij zei "dat is blauw", terwijl het duidelijk groen was.'
(Vergeef me dit slechte voorbeeld, het gaat om de aanhalingstekens.)
Of je nou voor 'enkel' als standaard kiest, of voor 'dubbel' - wees consequent! Dus gebruik de hele tekst door dezelfde aanhalingstekens. En 'die andere' bewaar je dus voor het citaat in een citaat.

Wanneer wel?

Nu je het aanhalingsteken kunt vinden (gefeliciteerd), gaan we eens kijken naar de functie ervan. Zoals ik eerder al zei: je gebruikt aanhalingstekens om weer te geven dat iemand letterlijk iets zegt. (Alvast een spoiler: dus NIET om weer te geven dat iemand iets denkt!) Dat gaat best vaak fout, dus knoop dit in je oren.
In de meeste (verhalende) teksten is het gebruikelijk om voor dialogen aanhalingstekens te gebruiken. Voor de gelukkigen onder ons die toevallig Joe Speedboot van Tommy Wieringa in de kast hebben staan; sla dat boek eens open. Wat zie je? Juist, streepjes in plaats van aanhalingstekens. Wat is onze taal toch heerlijk, hè.
Renkema geeft de volgende voorbeelden (pagina 488):
'Wil je koffie?' 'Nee, liever wijn.'
- Wil je koffie?
- Nee, liever wijn.
We houden het er hier maar even op dat we ze wél gebruiken, omwille van de duidelijkheid. Dat is ook hoe je het in de meeste boeken tegenkomt. Maar als je de mogelijkheid met streepjes eens wilt onderzoeken, haal dan Joe Speedboot. Het is ook nog eens een mooi boek, dus dubbele winst.

Het is gebruikelijk om sprekerwisselingen onder elkaar te zetten en niet achter elkaar. In het voorbeeld hierboven zie je al dat het verwarrend (en rommelig) wordt als je citaten van 2 personen op 1 regel plaatst. Bovendien zal een uitgever daar niet vrolijk van worden. Dus onthoud: nieuwe spreker, nieuwe regel.
Omdat ik graag met voorbeelden strooi (waar heb je anders manuscripten voor), hier een voorbeeld uit mijn manuscript Oragayn:
‘En hier moeten we die man vinden?’
‘Ik heb zijn adres.’
‘Wat doet hij hier?’
‘Zich schuilhouden, als je het mij vraagt.’
‘Voor wie? Voor de Garde?’
‘Je kunt je niet schuilhouden voor de Garde.’

Wie is Elda?

Je komt wel eens de 'elda-regel' tegen. Elda staat voor: eerst leesteken, dan aanhalingsteken. In literaire teksten wordt dit meestal toegepast, ook als het leesteken niet bij het citaat hoort. Voor het geval je nu glazig naar je scherm staart, wees gerust, ik kom met een voorbeeld.
Jantje zegt: 'Ik wil daar helemaal niet naartoe.' 
Laten we die zin als voorbeeld nemen. Wat is hier 'de zin'? De gehele zin loopt van 'Jantje' tot en met 'naartoe'. Het citaat 'Ik wil daar helemaal niet naartoe' is dus onderdeel van die gehele zin. Normaliter geldt de elda-regel alleen als het citaat aan het einde van de zin staat (dus zoals hier het geval is). Nou ja, 'normaliter' - in de meeste fictie-boeken kom je de elda-regel ook op andere momenten tegen. Dat lijkt voor fervente lezers heel logisch, maar dat is het eigenlijk niet. Kijk hier eens naar:
'Ik wil daar', zegt Jantje, 'helemaal niet naartoe.' (1)
'Ik wil daar,' zegt Jantje, 'helemaal niet naartoe.' (2)
Zoals we weten, hoort er geen komma in de zin die Jantje uitspreekt. De komma hoort dus niet bij het citaat. En dan hoort de komma eigenlijk buiten het aanhalingsteken te staan! Dat zie je in zin 1. In zin 2 passen we de elda-regel toe zoals dat vaak in fictie-teksten gebeurt: ondanks dat de komma dus niet in het citaat hoort, zetten we haar toch vóór het aanhalingsteken.
Duizelt het je? Kijk dan eens hier: volgorde komma.

Ga de elda-regel nu niet te pas en te onpas toepassen. Je kunt namelijk ook een enkel woord tussen aanhalingstekens zetten, of een woordgroep, en zelfs als dat woord aan het eind van de zin staat, mag je de elda-regel niet toepassen. Een voorbeeld:
Hij vond dat 'het einde'.
Daarbij pas je de elda-regel dus niet toe, want daar staat je leesteken (de punt) ná het aanhalingsteken.

Wanneer niet?

Als je aanhalingstekens gebruikt om gesproken tekst weer te geven, mag je het dan ook gebruiken voor gedachten? Nee.
Maar als iemand in gedachten iets zegt? Nee.
Nee, nee, nee.

Nee, dus.

Ik hoor het je al zeggen: Ja, maar hoe maak ik dan duidelijk dat het om gedachten gaat?
Nou, wat dacht je van het feit dat het dus niet tussen aanhalingstekens staat? Dat maakt de lezer immers duidelijk dat het niet hardop wordt uitgesproken.

Nu moet ik toegeven dat ik zelf valsspeel. Daarom ga ik hier nog even op in. Stel, je hebt een hoofdpersoon die denkt: Verdorie, het is waar. Dan kun je dat zo weergeven:
Verdorie, dacht ze, het is waar.
Maar ik speel dan dus vals, en ik gebruik voor letterlijke gedachten altijd cursieve tekst. Nee, dat hoort niet. Ja, ik doe dat wel, want zelf vind ik het fijner. Ik ben dus eigenwijs. Maar dan krijg je dit:
Verdorie, dacht ze, het is waar.
Nu is dit een eenvoudig voorbeeld, want hierin wordt niets gezegd. En zo komen we op het voorbeeld van de situatie waarin iemand dénkt aan wat iemand anders kan zéggen:
Hij dacht aan zijn vader. Die zou hem zeggen dat hij zijn rotzooi op moest ruimen.
Ik heb hier even de tekst van 'vader' als een indirecte gedachte neergezet. Maar wat als de hoofdpersoon nu écht letterlijk denkt wat vader zou zeggen? Nou, dan krijg je zoiets:
Ruim je rotzooi op, zou zijn vader zeggen.
Of:
Ruim je rotzooi op, zei zijn vader altijd.
Geen aanhalingstekens, dus, want het wordt niet hardop uitgesproken.

Kijk eens hier, ik heb nog een voorbeeld gevonden, uit mijn manuscript Tirisa. De eerste die hier aan het woord is, Paelli, is bevelhebber van het tweede personage, Ynndalys. Kun je je voorstellen wat er zou gebeuren als Ynndalys zijn gedachte hardop zou uitspreken:
‘Dat is dan mooi,’ zei Paelli glimlachend, ‘dan begrijpen wij elkaar.’
Vals kreng, dacht Ynndalys.
 Dat doen we dus maar niet! Je ziet, ik heb de gedachte weer cursief gezet. Dat hoeft niet (sterker nog, dat mag eigenlijk niet), maar dat is mijn voorkeur. Ga echter niet met aanhalingstekens goochelen, maar informeer jezelf en zorg ervoor dat je ze goed kunt toepassen.

Gebruikte bronnen:

  • Jan Renkema: Schrijfwijzer. Boom, Amsterdam, vijfde editie 2012. ISBN: 978 94 6105 696 2
  • Henriëtte Houët: Grammatica Nederlands. Uitgeverij Unieboek | Het Spectrum bv, Houten-Antwerpen, vijftiende druk 2010. ISBN: 978 90 274 9685 0
  • Website Taalunieversum: Taaladvies volgorde komma aanhalingsteken 

Heb ik iets gezegd wat niet waar is, wil je meer weten, wil je reageren? Dat kan via Facebook of door me te mailen.


Friday, May 19, 2017

Het grote "waarom" van het schrijven

Schrijven kent vele vormen. Je kunt met de hand schrijven; met balpen of potlood, vulpen of kroontjespen, of door je vinger te dopen in je eigen bloed. Je kunt een laptop gebruiken of een iPad, je kunt typen of spraakherkenningssoftware gebruiken. Schrijven doe je in een schrift of op een leeg vel papier, met of zonder lijntjes. Of op de stoep, met stoepkrijt. Of op het strand, in het zand. Een krabbel, een kladje, of een roman - er zijn enorm veel mogelijkheden. De vraag blijft natuurlijk altijd: waarom doe je dat?
In mijn geval is die vraag zelfs dubbel. Niet alleen "waarom schrijf ik", maar ook "waarom schrijf ik high-fantasy"? Je moet een tikkeltje zot zijn, immers, om je aan "dat genre" te wagen ... of niet?

Het ene verhaal is het andere niet

Waarom ik schrijf, kan verschillende redenen hebben. Per verhaal kan ik een andere drijfveer hebben. Soms schrijf ik puur voor de lol (zoals bij mijn kortverhaal Appeltaart, waarvoor ik de basis al op de middelbare school had geschreven). Soms schrijf ik als oefening, of voor een paar mensen die het graag lezen, zoals met Dwaalvuur. Soms schrijf ik voor een wedstrijd, maar dat is ook meestal voor de lol.
En dan zijn er mijn lange manuscripten. Mijn high-fantasy manuscripten, die zich altijd in dezelfde wereld afspelen. Juist, nu komen we ergens, toch? Want waarom schrijf ik die eigenlijk? Die verhalen gaan verder dan "schrijven voor de lol" en "schrijven voor de oefening".

Schrijven begint bij lezen

Ik heb er even het essay van Oek de Jong bij gepakt, Wat alleen de roman kan zeggen. Op pagina 25 vind ik een mooie beschouwing van lezen: 
"Lezen is in de eerste plaats een zaak van de verbeelding [...]. Elke lezer creëert zijn eigen voorstelling van een romanwereld. Al lezend reageert hij op het verhaal, op de observaties en ideeën van de schrijver.
[...] 
Al lezend word je je bewust van de minder fraaie kanten van jezelf. Licht als een schaduw glijdt dat besef door je heen. Het komt een ogenblik op uit duistere regionen en weg is het weer. Zo is er tijdens het lezen een voortdurende beweging in onszelf."
Iedere (roman)schrijver raad ik aan om dat essay eens te lezen, want het geeft een erg interessante kijk op de roman. En als ik het over mijn high-fantasy manuscripten heb, heb ik het ook over romans (vind ik, hierop kom ik later terug). Om te weten wat ik schrijf, hoe ik dat doe en waarom ik dat doe, moet ik dus ook nadenken over het fenomeen "roman". Wat is een roman, hoe schrijf je die, hoe lees je die, en waarom? Dat zijn vragen waarop geen eenvoudig antwoord te geven is (en dat beoog ik in deze blog ook echt niet te doen). Maar het zijn wel vragen waar ik over na blijf denken.

Om terug te komen op dit citaat. Waarom wijs ik hierop? Als schrijver moet je je realiseren dat je tekst gelezen gaat worden. Misschien alleen door jezelf en je hamster, misschien ook door je jongere broer, misschien door duizend anderen. Wat doet die tekst? Hoe gaat een lezer erop reageren? Kun je met jouw tekst een lezer meetrekken in zichzelf? En hoe doe je dat dan?
Schrijven begint bij lezen. Ik ben ooit begonnen met het schrijven van mijn high-fantasy manuscripten, omdat ik geen enkel high-fantasy boek kon vinden dat voldeed aan mijn lezerswensen. Dus wat doe je dan? Juist, dan schrijf je het zelf. Als lezer zocht ik dus een weg naar meer leesvoer, en die weg bracht mij naar de wonderlijke wereld van het schrijven.

Verder dan "een leuk verhaal" - schrijven om te vertellen

Wat zocht ik in high-fantasy? Als lezer zocht ik iets wat verder ging dan (excuseer de clichés) zwart-wit, draak-spuugt-vuur, jongen blijkt prins en redt de wereld (in z'n eentje). Ik zocht iets wat fantasy was, maar niet zo ontzettend ... "vreemd". Iets wat een duidelijke binding had met "onze" wereld, met alles om ons heen. Misschien was ik daarom wel zo ontzettend gek op Het oneindige verhaal van Michael Ende: vanwege de overduidelijke verbinding met een ontzettend herkenbare situatie. Jongen wordt gepest en duikt weg in een boek. Ik duik nog steeds graag weg in een boek. En als ik een fantasiedier mocht uitkiezen dat ik mocht ontmoeten, dan zou ik direct "Falkor!" roepen.
Toen ik ging schrijven, schreef ik niet alleen om een leuk verhaal neer te zetten. Het moest leuk zijn om te lezen, mooi, maar ook moest het iets zijn. Het moest iets vertellen. En niet alleen een verhaal van een vreemde knakker in een vreemde wereld in een vreemde tijd met vreemde beesten: het moest ergens over gaan.
Feitelijk was ik op zoek naar literatuur in high-fantasy, of een roman in een high-fantasy setting, maar dat wist ik nog niet toen ik begon met schrijven.

Laat ik teruggaan tot de kern. Wat schrijf ik? High-fantasy, maar dat dekt de lading niet helemaal. Je kunt een rasechte thriller schrijven die onder high-fantasy valt, je kunt erotische high-fantasy schrijven, of Young Adult high-fantasy. Je kunt een high-fantasy detective schrijven, een historische roman met high-fantasy invloeden, of ... enfin, er zijn talloze mogelijkheden. Ik schrijf high-fantasy romans. Mag ik dat zeggen, dat ik romans schrijf? Ik vind dat ik dat mag zeggen. Een deel van het verhaal is vaak thriller-achtig (spanning) en een deel is echt onvervalst roman-materiaal. Nu kun je zeggen: Ninja, kies lekker een hokje uit, want je noemt nu van alles - maar welk boek valt nu expliciet in één enkel hokje te proppen? Er is altijd overlap. Bovendien ben ik er dol op om hokjes uit elkaar te trappen.

"De romanschrijver is er, nog steeds, om via het verhaal van individuele lotgevallen de grote thema's van zijn tijd te mythologiseren en in de mythe te vereeuwigen. Hij moet het hedendaagse zien om te toveren tot iets universeels, tot een verhaal dat loskomt van zijn tijdgebonden aanleiding."
Dit staat te lezen op pagina 40 van Wat alleen de roman kan zeggen.
Wacht eens even, ik schrijf high-fantasy. Dat kan toch geen literatuur zijn? Dat kan toch geen roman zijn? Want als je gaat zoeken, kom je ook artikelen tegen als deze: Literaire lectuur, waarin we lezen:

"Een obstakel is de vrijblijvendheid van de imaginaire wereld. [...] De creativiteit die auteurs tentoonspreiden bij het vormgeven van hun werelden is onbegrensd en juist daardoor ontbeert fantasy de wortels die echte literatuur heeft in de werkelijkheid. Literatuur is nauw verbonden met het begrip waarheid, en toont de impact van de waarheid in de werkelijkheid. [...] Die kloof tussen werkelijkheid en fantasie belemmert echte betrokkenheid en dat rare woord dat zo belangrijk is voor literatuur: verheffing."
Dus aan de ene kant hebben we een romanschrijver die betoogt dat romanschrijvers de thema's van zijn tijd moet zien om te toveren tot iets universeels, en aan de andere kant hebben we een artikel dat zegt dat fantasy geen literatuur kan zijn, omdat fantasy te ver van de werkelijkheid staat.
Daar ben je mooi klaar mee, als fantasyschrijver. Waarom? Omdat de fantasy wel degelijk wortels in de werkelijkheid kan hebben, daar zijn genoeg grote voorbeelden voor (hele grote voorbeelden) maar nee! Het is niet echt.
De eerste keer dat ik het artikel Literaire Lectuur las, vroeg ik me af waar ik mee bezig was. Ik wilde niet alleen iets leuks doen met een paar zinnen. Ik wilde een verhaal vertellen. Ik wilde iets vertellen over "onze" wereld, geplaatst in "die andere" wereld, omdat dat de enige manier is waarop ik het kan vertellen. Los van ons concrete tijdsbeeld, maar wel degelijk eraan verbonden. Vertellen over een jongen die te maken krijgt met het verlies van zijn broer, over een man die zijn land naar de knoppen ziet gaan, over een vader die zich zorgen maakt over zijn zoon. Mocht ik dat wel? Kon dat wel, in high-fantasy?
Inmiddels vraag ik me niet af of "het wel kan". Het kan, verdorie, want ik doe het. In literatuur (of in genres die kennelijk niet onder literatuur vallen maar wel romans produceren) is er geen "goed" en "fout" - er zijn alleen mogelijkheden. En welk genre kan nu beter met universele antwoorden komen op de werkelijkheid, dan het high-fantasy genre? Hoe universeel wil je het hebben? Kom hier met dat hokje, ik heb een bijl en ik gebruik 'm.

Zoek de grens op en stap eroverheen

Waarom schrijf ik? Omdat ik iets te vertellen heb. Mijn laatste manuscript, Tirisa, behandelt onder andere de thema's "vreemdelingenhaat" en "vluchtelingenproblematiek". Daarnaast - want zoals gezegd, ik hou niet van hokjes - is het ook een spannend verhaal waarin een man achter een doorgedraaide politica aan gaat. Ik meng graag. Ik hou niet zo van rechttoe-rechtaan-verhalen. Ik schrijf omdat ik iets te vertellen heb, en dat vertel ik in een vorm die ook de drang naar "die andere kant" van het lezen vervult: de behoefte aan een verhaal dat leuk is om te lezen. Daar zoek ik naar, als lezer. Ik zoek naar verhalen die ik graag lees, maar die wel ergens over gaan. En dat ambieer ik dan ook te schrijven.



Reageren? Dat kan via Facebook of e-mail.

Gebruikte bronnen: 
- Oek de Jong: Wat alleen de roman kan zeggen. Uitgeverij Augustus, Amsterdam, 2013 - isbn 978 90 254 4213 2
- Literaire Lectuur, online artikel via http://8weekly.nl/special/boeken-specials/goede-fantasy-is-per-definitie-niet-literair-literaire-lectuur/ - ontleend op 19 mei 2017