Monday, June 8, 2015

Bliter’s Wrock

‘Damn, wat ben jij groot. En lelijk!’ Ik kijk hem eens goed in zijn ogen. Daarvoor moet ik omhoog kijken, want die ogen zweven ergens op tweeënhalve meter hoogte. Het ding neemt de halve kamer in beslag met zijn enorme gestalte. Doordat het plafond te laag voor hem is, staat hij zodanig gebukt dat het net is alsof hij een bochel heeft. Zijn ogen, kleine rattenoogjes in het midden van de grote zwarte kop, kijken me glinsterend aan.
Ik noem hem Bliter’s Wrock. Niet bepaald origineel, ik weet het, maar ik moet het er maar mee doen. Of hij moet het er maar mee doen.
‘Grmblgrmebl,’ gromt hij.
‘En je stinkt,’ zeg ik.
‘Aaargh!’ Hij spert zijn muil open en stoot een kreet uit. Slijm vliegt door de kamer. Gadverdamme. Kan ik dadelijk nog gaan dweilen ook.
Een van zijn poten staat op mijn laptop. De nagel van een van de klauwen blijft hangen op de x, waardoor mijn hele document nu volstaat met virtuele kusjes. De x-jes vliegen over het scherm.
Bliter’s Wrock buigt voorover, totdat zijn natte neus de mijne raakt en ik in die onmetelijke oneindigheid van zijn kleine rattenoogjes kan verdwalen. Ik weet wat hij bedoelt. Hij staat in mijn kamer, als een wolharige mammoet uit de prehistorie, een enorm gevaarte dat er is maar er niet kan zijn. Toch is-ie hier. Stinkend en wel. In levende lijve is hij hier om de boel te blokkeren.
De kleine gaat staan in haar box en lacht naar het grote monster. Bliter’s Wrock knippert. Kijkt mij nog eens aan. Snuift dan. Eindelijk haalt-ie zijn klauw van mijn toetsenbord. Ik duw met een wijsvinger zijn ruwe, schubbige poot opzij, en wring me langs hem. Snel typ ik dit bericht. Ondertussen komt zijn greep, zijn mentale overwicht, alweer terug.
‘Laat me met rust,’ zeg ik, maar daarop giechelt het ding slechts. Ik kijk hem kwaad aan. Zijn schaduw valt over mijn beeldscherm heen.
Als de kleine een knuffel over de rand van de box gooit, grist Bliter’s Wrock mijn laptop onder mijn vingers uit. Zijn geduld is op. Dit was het dan voor vandaag.
‘Lelijke lelijkerd,’ bijt ik hem toe, en ik pers me langs zijn harige rug om naar de keuken te kunnen. Ik ga wel afwassen. Misschien kan ik morgen weer wat schrijven.