Thursday, June 27, 2013

Wachten op de postbode

Het gebeurt vaak genoeg dat mensen staan te wachten totdat ik langs ben geweest. Sommige verwachten een televisiegids, andere zijn jarig of waren toch juist toevallig onderweg naar binnen en wachten dan even tot ze de post meteen mee kunnen nemen.

Vandaag werd ik ook opgewacht, of die mevrouw was gewoon net toevallig onderweg naar haar deur. Hoe dan ook, ze deed de deur open juist toen ik aankwam en vertelde dat ze belangrijke post verwachtte. Nou, ik had één envelop bij, dus daar moest het dan in zitten. En ja, het was het goede. Vandaag kreeg ze namelijk te horen of haar zoon was toegelaten tot de studie geneeskunde. Waarop ze enigszins verlangend naar de envelop keek en eraan toevoegde dat ze 'm nog niet mocht openen. Ze moest tot half vijf wachten. (Ik nam dan maar aan dat de zoon in kwestie zo rond half vijf vandaag huiswaarts keert.) In de tussentijd kon ze alleen naar die envelop kijken. Ik vraag me af of ze de brief op de keukentafel heeft gelegd en hoe vaak ze er vandaag al langs is gelopen. Ik bezorgde de post vanochtend, ik was daar rond kwart over tien. Ze moet dus nog even wachten...


Sunday, May 19, 2013

Jacht

Een probeerseltje. Soms is het gewoon leuk om iets mafs te schrijven.


Jacht

 Een hond had de nieuwe brug ingewijd. In mijn poging de door hem achtergelaten verering te ontwijken, struikelde ik over mijn eigen voeten. Gelukkig had de ontwerper aan onhandige types zoals ik gedacht en kon ik mij opvangen aan de reling.
            Ik bleef staan, met mijn knokige vingers om de koude, metalen levensredder geklemd, de drol vergeten, mijn ogen in stille fixatie gericht op het witte jacht dat minuten onderdeel zou uitmaken van mijn fysieke leven, om daarna voorgoed in mijn denkwereld in te breken, zich vast te grijpen, innestelen, begraven. Het was niet het jacht. Het was de vrouw die aan het roer stond. Mijn evenbeeld, als ik een vrouw was geweest, maar dan perfecter. Trots, fier rechtop, stralend zelfverzekerd. Voor haar zou de darminhoud van canis lupus familiaris uit zichzelf opzij zijn gekropen.
            Dat moest haar zijn. Zij.
            Maar terwijl ik dat dacht, verdween het jacht onder de brug. De witte achterkant schitterde in de scherpe zonnestralen en liet mij kortstondig verblind achter. Ik boog verder voorover, zo stupide als een blinde koe die eerst tegen een muur moet lopen voordat hij doorheeft dat de muur bestaat, zo staarde ik naar de onderkant van de brug. Daarna draaide ik mij om.
            Het jacht voer verder. De achterkant kwam net onder de brug vandaan.
            Haar licht turquoise jurk wapperde in de zomerbries die haar zachte, heldere zangstem naar mij droeg, pestend, de harde wansmaak van de natuur die wist dat ik het niet kon weten, dat ik er nooit achter kon komen. Maar zij zong verder, een eenvoudig lied, trefzeker. En ik luisterde. Totdat ook de wind genoeg kreeg van mijn trieste verschijning en alleen het geluid van een langsrazende vrachtwagen mijn oren nog vulde. Ik keek het jacht na en zag het een witte waas worden. Mijn ogen waren troebel van het staren zonder knipperen, mijn keel was droog van het door open mond ademen. Twee stappen deed ik naar voren. Mijn linkervoet gleed weg over iets smeuïgs. De stank van hondenuitwerpselen verdreef haar zoete stem tijdelijk uit mijn geheugen.
            Die stem die zich samen met dat jacht in mijn hoofd heeft vastgebeten.
            Zij was het. Ik weet het zeker.
            Of toch niet?

Tuesday, March 26, 2013

Goudkipje en de haas

Soms ben ik gewoon aan het klooien met woorden. De aanleiding kan een simpele vraag zijn als; wat was er eerder, de paashaas of het paasei? En dan komt er zoiets uit.


Goudkipje en de haas

Er was eens een mooie, goudblonde kip. Ze leefde samen met andere kippen, maar alle andere kippen vonden haar de mooiste en meest majestueuze kip van allemaal.
De boer, die eigenaar was van de kippen, kwam iedere dag de eieren rapen. De goudblonde kip legde bijna iedere dag een groot, gespikkeld ei. Soms met bruine stippen, soms met groene stippen, soms ook stippen van een andere kleur. Het waren de lekkerste eieren uit de omgeving.
De kippen leefden hun leven, totdat er op een dag een haas voorbij kwam. De haas wrong zich in paniek langs het deurtje van de kippenren naar binnen. Toen de kippen verontwaardigd aan haar vroegen wat ze toch in hun ren kwam doen, stampte de haas opgewonden op de grond, voordat ze met haar voorpoot naar de weilanden verderop wees.
‘Een jager!’ zei de haas. ‘Hij zit achter me aan!’
‘Maar waarom dan?’ vroeg Goudkipje.
‘Hij wil me opeten!’
Goudkipje fladderde van schrik een stukje de lucht in. ‘Hemeltje! Opeten! Dat doe je toch niet met een levend dier!’
De haas trok haar oren naar achteren. ‘Dat doen ze wel met hazen. Wij leggen geen eieren, zoals jullie.’
Daar dacht Goudkipje eens even over na.
‘En bovendien,’ rilde de haas, ‘is het vandaag feest. Het is Pasen! Alle mensen willen lekker eten.’
Alle kippen keken nu met uitgestrekte nekken naar de weilanden. Heel in de verte zagen ze een jager lopen, zijn geweer losjes in zijn hand, een hond aan zijn voeten. Er werd zacht getokt van afkeuring.
‘Ik weet wel wat,’ zei Goudkipje ten slotte. ‘De boer is al geweest. Als ik jou nu eens mijn ei geef? Misschien laat de jager je met rust als hij ziet dat je een ei hebt gelegd.’
‘Zou je denken?’ vroeg de haas aarzelend.
‘Je kunt ook niet hier blijven. Je moet terug naar buiten.’
‘Goed dan,’ zei de haas, hoewel ze trilde van angst bij het vooruitzicht om de ren weer uit te gaan. De goudblonde kip had gelijk. Ze kon niet in die ren blijven.
Goudkipje trippelde het binnenhok in, klemde haar laatste ei tussen haar poten en waggelde ermee naar buiten. Daar liet ze het ei vallen en schoof het met haar snavel naar de haas. ‘Alsjeblieft. Ik hoop dat het werkt.’
De haas nam voorzichtig het ei tussen beide voorpoten. Ze bedankte Goudkipje, perste zichzelf weer tussen het deurtje door naar buiten en bleef daar korte tijd staan. ‘Waarom ontsnappen jullie eigenlijk niet?’
‘Omdat we hier eten krijgen,’ zei Goudkipje, ‘en hier zitten we ’s nachts veilig voor de vos, omdat de boer dan het luikje dicht doet.’
‘Brrr, vossen,’ zei de haas. Daarna vertrok ze, terug naar waar ze vandaan kwam – terug naar de weilanden.
De kippen keken gespannen toe. De haas koos voor een gedurfde strategie; ze duwde het ei voor zich uit, naar de jager toe!
‘Het is een mooi ei,’ zei een oude, bruine kip.
‘Mijn mooiste tot nu toe,’ beaamde Goudkipje, terwijl ze haar kop tegen het gaas duwde om toch maar niets te missen van wat er zich in de verte afspeelde.
De jager pakte zijn geweer. Hij legde aan, zijn vinger ging naar de trekker… En toen stopte hij. Het geweer zakte iets. Nog iets verder. Ging helemaal naar beneden. De jager liep verbouwereerd naar de haas die op een paar meter van hem was blijven zitten, met een blauw gespikkeld ei aan haar voeten. Zodra hij het ei had gepakt, rende de haas ervandoor. De jager keek het diertje fronsend na. Hij besloot haar te laten leven.
In de kippenren steeg een uitbundig getok op van juichende kippen.
En zo is de paashaas ontstaan.

Friday, March 15, 2013

Hond


Zijn ogen waren groot en rond; het leek erop dat ze ieder moment uit hun kassen konden springen. Hij hield zijn lippen iets van zijn tanden. Vanuit de keel klonk dreigend gegrom. Zijn blik was op mij gefixeerd, als ik bewoog, volgde hij mijn bewegingen. Toch moest ik gewoon mijn werk doen, dus ik ging verder. Ik legde de post naast de kassa, draaide me om en liep de winkel weer uit. Bij mijn vertrek kwam hij achter me aan. Voor ik het wist deed hij verwoede pogingen om mijn broek doormidden te scheuren, de moordlust in die bolle, lelijke ogen, tussen het bijten door woest geblaf.
Ik schudde de driftige chihuahua van me af en liep verder.
Spijkerbroek 1 – Chihuahua 0.

Saturday, March 9, 2013

Doedeltje!


Vasthoudend

De zwaan stond in het midden van de straat. Zomaar ineens, ’s ochtends vroeg, wit, groot, statig. Een levende, prachtige zwaan die voor geen auto uit de weg ging en die haar kop speels schuin hield toen het getoeter van de eerste auto weerklonk. Ik was één van de eersten die naar het dier toe ging. Ik wilde haar uit de weg jagen, maar ze trok zich weinig van me aan. Even keek ze me aan, toen ik ‘Sjoe!’ riep. Haar hals trok ze in een boogje, haar kop nog wat schever. Als ik niet zeker wist dat een zwaan me moeilijk kon uitlachen, zou ik toch écht hebben gedacht dat ze me wel degelijk belachelijk stond te maken.
Roepen hielp niet.
Schelden ook niet.
Ten einde raad bukte ik me om het beest op te pakken. Ik was me wel van het gevaar bewust – zwanen zijn behoorlijk groot en als je ze verkeerd pakt kunnen die vleugels loeihard aankomen – maar ik had een plan van aanpak. Ik zou mijn armen om haar middel slaan en zo haar vleugels blokkeren. Dacht ik. Zodra ik mijn linkerhand op haar lijf legde, was het gedaan. Ik zat vast. Dat voelde ik direct; mijn vingers tintelden meteen toen ik haar aanraakte, mijn hand werd koud alsof ik die in een emmer ijsblokjes had gestoken en ik dacht er niet eens meer aan om ook mijn andere hand erbij te leggen. Dus daar stond ik, gehurkt naast die zwaan, mijn linkerhand vastgeplakt aan haar lichaam. Ik keek in die alwetende wijze zwanenogen. Ze had haar kop nu vlak voor mijn gezicht hangen. Haar snavel centimeters van mijn neus. Ze straalde een serene rust uit en leek totaal niet onder de indruk van wat haar overkwam.
Freek, de buurman, kwam naast me staan. Hij trok zijn broek op – op de één of andere manier heeft hij altijd een te grote broek aan – en vroeg me waar ik mee bezig was.
‘Ik zit vast,’ zei ik.
‘Doe niet zo raar,’ zei hij. Hij bukte, pakte mijn linkerhand – en verstijfde. Zijn ogen werden groot. Hij staarde naar me. ‘Godverdomme,’ zei hij zacht. Hij probeerde op te staan, maar hij kwam niet omhoog. Zijn vingers raakten de vleugel en kwamen niet meer los.
De zwaan sloeg haar vleugels één keer uit. Freek en ik bewogen mee, met kleine gilletjes. Hij net zo goed als ik. Toen stond ze weer stil.
Daarna was er niemand meer die ons aanraakte. Er zit inmiddels ook een schaar aan de zwaan vast. Alleen de punt raakt haar veren, maar hij blijft rechtop staan.
Af en toe beweegt de zwaan. Ze gaat steeds dichter naar de grote vijver aan het eind van de straat. Ik vraag me af wat er gebeurt als we het water in gaan. Misschien raken we dan los. Of misschien niet.

Friday, February 1, 2013

Massale Winterdip

De bank is in trek. Het lijkt wel alsof iedereen – althans, iedereen die niet op zijn werk zit – zijn favoriete hoekje op de bank heeft opgezocht. Met of zonder deken, vaak vergezeld van een kop thee en met een boek of afstandsbediening in de hand.
Buiten fietsen mensen met gebogen hoofden tegen de drukkende troosteloosheid van hun eigen sombere gedachten en de motregen die daar gretig op in lijkt te haken, als aasgierende regendruppels uit een ander universum; een kwaad, deprimerend universum waar Mordor bij zou verbleken.
Griep houdt veel bankhangers gezelschap, visite die niemand wil hebben maar die zijn smerige, glibberige voet tussen de deur heeft gezet en, stugger dan de meest fanatieke Jehova-getuige, dan toch zichzelf naar binnen wist te wringen. Het bordje “aan de deur wordt niet gekocht en bekeerd zijn we ook al” had geen enkel effect op de snotterpolka. De bewijslast, een doos tissues of een keukenrol, staat onvermijdelijk op de salontafel naast de bank – binnen handbereik. Het mobieltje ligt ernaast, want gedeelde smart is halve smart, zéker als je daarvoor een smartphone gebruikt, dus de vrienden op Facebook worden op de hoogte gehouden van het sombere klimaat dat van buiten naar binnen spiegelt. Beterschapwensen worden uitgewisseld, samen met anti-griep-recepten; iedereen schijnt te weten hoe je de polka moet bestrijden. Plots zijn we allemaal expert.
Als de mix van paracetamol, aspirine, citroenthee, sinaasappels, sapjes, vitaminesupplementen, hoestdrankjes en soep er dan eindelijk doorheen gejaagd is, kunnen we weer naar buiten kijken, om tot de ontdekking te komen dat de winterdip van dit jaar weer voorbij is. Dan huppelen we allemaal achter elkaar aan om haastig te “posten” dat we met de grote lenteschoonmaak bezig zijn – waarbij ongetwijfeld de bank opzij wordt geschoven om er ijverig achter en onder te kunnen stofzuigen en dweilen. En wat doe je na afloop? Juist. Dan zoek je dat hoekje weer op, met je kop thee en je smartphone. Hoe meer zielen, hoe meer vreugd…

Monday, December 24, 2012

Big Brother geeft Tips

De pc denkt tegenwoordig met je mee. Nou is dat niets nieuws, natuurlijk - als je een document afsluit, zonder op te slaan, verschijnt er immers ook een pop-up met de vraag of je niet wilt opslaan. Om maar een voorbeeld te geven.
Tegenwoordig gaat dat wel een beetje ver. En Facebook spant de kroon. Ik ben nog steeds advertenties van bruidswinkels aan het wegklikken omdat ik daar ooit eens op gezocht heb. En nu weer wat nieuws: vreemde vragen, als je een statusupdate wilt invullen.
"Wat is er aan de hand, Ginny?"
"Laat weten hoe je dag was."
"Hoe voel je je, Ginny?"
Euhm...
Ik weet het niet, maar ik krijg hier toch een steeds groter Big Brother-gevoel bij. En dat terwijl Broertje Facebook niet eens mijn naam kent - want Ninja, dat is volgens Facebook geen naam. Ondertussen vraagt Broertje Facebook me wel hoe ik me voel... dat gaat je niets aan, Facebook. En "wat is er aan de hand" - is dat een slechte vertaling van "what's going on", soms?
Hebben we hints nodig om te kunnen verzinnen wat we als statusupdate neerzetten? Is dat wat het is? Worden wij, hedendaagse internet-gebruikende, social-media verslaafde menschen, zo dom geacht dat we zelf niet eens meer zouden kunnen bedenken waarover we moeten schrijven? Hebben we daar nu al HINTS voor nodig?


Van mij hoeft Facebook niet mee te denken. Dat kan ik prima zélf. En ja, als Broertje Facebook daadwerkelijk een bestaand persoon zou zijn, zou ik nu de neiging hebben om m'n tong uit te steken.