Het gebeurt vaak genoeg dat mensen staan te wachten totdat ik langs ben geweest. Sommige verwachten een televisiegids, andere zijn jarig of waren toch juist toevallig onderweg naar binnen en wachten dan even tot ze de post meteen mee kunnen nemen.
Vandaag werd ik ook opgewacht, of die mevrouw was gewoon net toevallig onderweg naar haar deur. Hoe dan ook, ze deed de deur open juist toen ik aankwam en vertelde dat ze belangrijke post verwachtte. Nou, ik had één envelop bij, dus daar moest het dan in zitten. En ja, het was het goede. Vandaag kreeg ze namelijk te horen of haar zoon was toegelaten tot de studie geneeskunde. Waarop ze enigszins verlangend naar de envelop keek en eraan toevoegde dat ze 'm nog niet mocht openen. Ze moest tot half vijf wachten. (Ik nam dan maar aan dat de zoon in kwestie zo rond half vijf vandaag huiswaarts keert.) In de tussentijd kon ze alleen naar die envelop kijken. Ik vraag me af of ze de brief op de keukentafel heeft gelegd en hoe vaak ze er vandaag al langs is gelopen. Ik bezorgde de post vanochtend, ik was daar rond kwart over tien. Ze moet dus nog even wachten...
Thursday, June 27, 2013
Sunday, May 19, 2013
Jacht
Een probeerseltje. Soms is het gewoon leuk om iets mafs te schrijven.
Een
hond had de nieuwe brug ingewijd. In mijn poging de door hem achtergelaten
verering te ontwijken, struikelde ik over mijn eigen voeten. Gelukkig had de
ontwerper aan onhandige types zoals ik gedacht en kon ik mij opvangen aan de
reling.
Jacht
Ik bleef staan, met mijn knokige
vingers om de koude, metalen levensredder geklemd, de drol vergeten, mijn ogen
in stille fixatie gericht op het witte jacht dat minuten onderdeel zou uitmaken
van mijn fysieke leven, om daarna voorgoed in mijn denkwereld in te breken,
zich vast te grijpen, innestelen, begraven. Het was niet het jacht. Het was de
vrouw die aan het roer stond. Mijn evenbeeld, als ik een vrouw was geweest,
maar dan perfecter. Trots, fier rechtop, stralend zelfverzekerd. Voor haar zou
de darminhoud van canis lupus familiaris uit zichzelf opzij zijn gekropen.
Dat moest haar zijn. Zij.
Maar terwijl ik dat dacht, verdween
het jacht onder de brug. De witte achterkant schitterde in de scherpe
zonnestralen en liet mij kortstondig verblind achter. Ik boog verder voorover,
zo stupide als een blinde koe die eerst tegen een muur moet lopen voordat hij
doorheeft dat de muur bestaat, zo staarde ik naar de onderkant van de brug.
Daarna draaide ik mij om.
Het jacht voer verder. De achterkant
kwam net onder de brug vandaan.
Haar licht turquoise jurk wapperde
in de zomerbries die haar zachte, heldere zangstem naar mij droeg, pestend, de
harde wansmaak van de natuur die wist dat ik het niet kon weten, dat ik er
nooit achter kon komen. Maar zij zong verder, een eenvoudig lied, trefzeker. En
ik luisterde. Totdat ook de wind genoeg kreeg van mijn trieste verschijning en
alleen het geluid van een langsrazende vrachtwagen mijn oren nog vulde. Ik keek
het jacht na en zag het een witte waas worden. Mijn ogen waren troebel van het
staren zonder knipperen, mijn keel was droog van het door open mond ademen.
Twee stappen deed ik naar voren. Mijn linkervoet gleed weg over iets smeuïgs.
De stank van hondenuitwerpselen verdreef haar zoete stem tijdelijk uit mijn
geheugen.
Die stem die zich samen met dat
jacht in mijn hoofd heeft vastgebeten.
Zij was het. Ik weet het zeker.
Of toch niet?
Labels:
schrijfsel
Tuesday, March 26, 2013
Goudkipje en de haas
Soms ben ik gewoon aan het klooien met woorden. De aanleiding kan een simpele vraag zijn als; wat was er eerder, de paashaas of het paasei? En dan komt er zoiets uit.
Goudkipje en de haas
Er
was eens een mooie, goudblonde kip. Ze leefde samen met andere kippen, maar
alle andere kippen vonden haar de mooiste en meest majestueuze kip van
allemaal.
De
boer, die eigenaar was van de kippen, kwam iedere dag de eieren rapen. De
goudblonde kip legde bijna iedere dag een groot, gespikkeld ei. Soms met bruine
stippen, soms met groene stippen, soms ook stippen van een andere kleur. Het
waren de lekkerste eieren uit de omgeving.
De
kippen leefden hun leven, totdat er op een dag een haas voorbij kwam. De haas
wrong zich in paniek langs het deurtje van de kippenren naar binnen. Toen de
kippen verontwaardigd aan haar vroegen wat ze toch in hun ren kwam doen,
stampte de haas opgewonden op de grond, voordat ze met haar voorpoot naar de
weilanden verderop wees.
‘Een
jager!’ zei de haas. ‘Hij zit achter me aan!’
‘Maar
waarom dan?’ vroeg Goudkipje.
‘Hij
wil me opeten!’
Goudkipje
fladderde van schrik een stukje de lucht in. ‘Hemeltje! Opeten! Dat doe je toch
niet met een levend dier!’
De
haas trok haar oren naar achteren. ‘Dat doen ze wel met hazen. Wij leggen geen
eieren, zoals jullie.’
Daar
dacht Goudkipje eens even over na.
‘En
bovendien,’ rilde de haas, ‘is het vandaag feest. Het is Pasen! Alle mensen
willen lekker eten.’
Alle
kippen keken nu met uitgestrekte nekken naar de weilanden. Heel in de verte
zagen ze een jager lopen, zijn geweer losjes in zijn hand, een hond aan zijn
voeten. Er werd zacht getokt van afkeuring.
‘Ik
weet wel wat,’ zei Goudkipje ten slotte. ‘De boer is al geweest. Als ik jou nu
eens mijn ei geef? Misschien laat de jager je met rust als hij ziet dat je een
ei hebt gelegd.’
‘Zou
je denken?’ vroeg de haas aarzelend.
‘Je
kunt ook niet hier blijven. Je moet terug naar buiten.’
‘Goed
dan,’ zei de haas, hoewel ze trilde van angst bij het vooruitzicht om de ren
weer uit te gaan. De goudblonde kip had gelijk. Ze kon niet in die ren blijven.
Goudkipje
trippelde het binnenhok in, klemde haar laatste ei tussen haar poten en
waggelde ermee naar buiten. Daar liet ze het ei vallen en schoof het met haar
snavel naar de haas. ‘Alsjeblieft. Ik hoop dat het werkt.’
De
haas nam voorzichtig het ei tussen beide voorpoten. Ze bedankte Goudkipje,
perste zichzelf weer tussen het deurtje door naar buiten en bleef daar korte
tijd staan. ‘Waarom ontsnappen jullie eigenlijk niet?’
‘Omdat
we hier eten krijgen,’ zei Goudkipje, ‘en hier zitten we ’s nachts veilig voor
de vos, omdat de boer dan het luikje dicht doet.’
‘Brrr,
vossen,’ zei de haas. Daarna vertrok ze, terug naar waar ze vandaan kwam –
terug naar de weilanden.
De
kippen keken gespannen toe. De haas koos voor een gedurfde strategie; ze duwde
het ei voor zich uit, naar de jager toe!
‘Het
is een mooi ei,’ zei een oude, bruine kip.
‘Mijn
mooiste tot nu toe,’ beaamde Goudkipje, terwijl ze haar kop tegen het gaas
duwde om toch maar niets te missen van wat er zich in de verte afspeelde.
De
jager pakte zijn geweer. Hij legde aan, zijn vinger ging naar de trekker… En
toen stopte hij. Het geweer zakte iets. Nog iets verder. Ging helemaal naar
beneden. De jager liep verbouwereerd naar de haas die op een paar meter van hem
was blijven zitten, met een blauw gespikkeld ei aan haar voeten. Zodra hij het
ei had gepakt, rende de haas ervandoor. De jager keek het diertje fronsend na.
Hij besloot haar te laten leven.
In
de kippenren steeg een uitbundig getok op van juichende kippen.
En
zo is de paashaas ontstaan.
Labels:
schrijfsel
Friday, March 15, 2013
Hond
Zijn
ogen waren groot en rond; het leek erop dat ze ieder moment uit hun kassen
konden springen. Hij hield zijn lippen iets van zijn tanden. Vanuit de keel
klonk dreigend gegrom. Zijn blik was op mij gefixeerd, als ik bewoog, volgde
hij mijn bewegingen. Toch moest ik gewoon mijn werk doen, dus ik ging verder.
Ik legde de post naast de kassa, draaide me om en liep de winkel weer uit. Bij
mijn vertrek kwam hij achter me aan. Voor ik het wist deed hij verwoede
pogingen om mijn broek doormidden te scheuren, de moordlust in die bolle,
lelijke ogen, tussen het bijten door woest geblaf.
Ik
schudde de driftige chihuahua van me af en liep verder.
Spijkerbroek
1 – Chihuahua 0.
Saturday, March 9, 2013
Doedeltje!
Vasthoudend
De
zwaan stond in het midden van de straat. Zomaar ineens, ’s ochtends vroeg, wit,
groot, statig. Een levende, prachtige zwaan die voor geen auto uit de weg ging
en die haar kop speels schuin hield toen het getoeter van de eerste auto
weerklonk. Ik was één van de eersten die naar het dier toe ging. Ik wilde haar
uit de weg jagen, maar ze trok zich weinig van me aan. Even keek ze me aan,
toen ik ‘Sjoe!’ riep. Haar hals trok ze in een boogje, haar kop nog wat
schever. Als ik niet zeker wist dat een zwaan me moeilijk kon uitlachen, zou ik
toch écht hebben gedacht dat ze me wel degelijk belachelijk stond te maken.
Roepen
hielp niet.
Schelden
ook niet.
Ten
einde raad bukte ik me om het beest op te pakken. Ik was me wel van het gevaar
bewust – zwanen zijn behoorlijk groot en als je ze verkeerd pakt kunnen die
vleugels loeihard aankomen – maar ik had een plan van aanpak. Ik zou mijn armen
om haar middel slaan en zo haar vleugels blokkeren. Dacht ik. Zodra ik mijn
linkerhand op haar lijf legde, was het gedaan. Ik zat vast. Dat voelde ik
direct; mijn vingers tintelden meteen toen ik haar aanraakte, mijn hand werd
koud alsof ik die in een emmer ijsblokjes had gestoken en ik dacht er niet eens
meer aan om ook mijn andere hand erbij te leggen. Dus daar stond ik, gehurkt
naast die zwaan, mijn linkerhand vastgeplakt aan haar lichaam. Ik keek in die
alwetende wijze zwanenogen. Ze had haar kop nu vlak voor mijn gezicht hangen.
Haar snavel centimeters van mijn neus. Ze straalde een serene rust uit en leek
totaal niet onder de indruk van wat haar overkwam.
Freek,
de buurman, kwam naast me staan. Hij trok zijn broek op – op de één of andere
manier heeft hij altijd een te grote broek aan – en vroeg me waar ik mee bezig
was.
‘Ik
zit vast,’ zei ik.
‘Doe
niet zo raar,’ zei hij. Hij bukte, pakte mijn linkerhand – en verstijfde. Zijn
ogen werden groot. Hij staarde naar me. ‘Godverdomme,’ zei hij zacht. Hij
probeerde op te staan, maar hij kwam niet omhoog. Zijn vingers raakten de vleugel
en kwamen niet meer los.
De
zwaan sloeg haar vleugels één keer uit. Freek en ik bewogen mee, met kleine
gilletjes. Hij net zo goed als ik. Toen stond ze weer stil.
Daarna
was er niemand meer die ons aanraakte. Er zit inmiddels ook een schaar aan de
zwaan vast. Alleen de punt raakt haar veren, maar hij blijft rechtop staan.
Af
en toe beweegt de zwaan. Ze gaat steeds dichter naar de grote vijver aan het
eind van de straat. Ik vraag me af wat er gebeurt als we het water in gaan.
Misschien raken we dan los. Of misschien niet.
Labels:
doedel,
schrijfsel
Friday, February 1, 2013
Massale Winterdip
De
bank is in trek. Het lijkt wel alsof iedereen – althans, iedereen die niet op
zijn werk zit – zijn favoriete hoekje op de bank heeft opgezocht. Met of zonder
deken, vaak vergezeld van een kop thee en met een boek of afstandsbediening in
de hand.
Buiten
fietsen mensen met gebogen hoofden tegen de drukkende troosteloosheid van hun
eigen sombere gedachten en de motregen die daar gretig op in lijkt te haken,
als aasgierende regendruppels uit een ander universum; een kwaad, deprimerend
universum waar Mordor bij zou verbleken.
Griep
houdt veel bankhangers gezelschap, visite die niemand wil hebben maar die zijn
smerige, glibberige voet tussen de deur heeft gezet en, stugger dan de meest
fanatieke Jehova-getuige, dan toch zichzelf naar binnen wist te wringen. Het
bordje “aan de deur wordt niet gekocht en bekeerd zijn we ook al” had geen
enkel effect op de snotterpolka. De bewijslast, een doos tissues of een
keukenrol, staat onvermijdelijk op de salontafel naast de bank – binnen handbereik.
Het mobieltje ligt ernaast, want gedeelde smart is halve smart, zéker als je
daarvoor een smartphone gebruikt, dus de vrienden op Facebook worden op de
hoogte gehouden van het sombere klimaat dat van buiten naar binnen spiegelt. Beterschapwensen
worden uitgewisseld, samen met anti-griep-recepten; iedereen schijnt te weten
hoe je de polka moet bestrijden. Plots zijn we allemaal expert.
Als
de mix van paracetamol, aspirine, citroenthee, sinaasappels, sapjes,
vitaminesupplementen, hoestdrankjes en soep er dan eindelijk doorheen gejaagd
is, kunnen we weer naar buiten kijken, om tot de ontdekking te komen dat de
winterdip van dit jaar weer voorbij is. Dan huppelen we allemaal achter elkaar
aan om haastig te “posten” dat we met de grote lenteschoonmaak bezig zijn –
waarbij ongetwijfeld de bank opzij wordt geschoven om er ijverig achter en
onder te kunnen stofzuigen en dweilen. En wat doe je na afloop? Juist. Dan zoek
je dat hoekje weer op, met je kop thee en je smartphone. Hoe meer zielen, hoe
meer vreugd…
Labels:
schrijfsel
Monday, December 24, 2012
Big Brother geeft Tips
De pc denkt tegenwoordig met je mee. Nou is dat niets nieuws, natuurlijk - als je een document afsluit, zonder op te slaan, verschijnt er immers ook een pop-up met de vraag of je niet wilt opslaan. Om maar een voorbeeld te geven.
Tegenwoordig gaat dat wel een beetje ver. En Facebook spant de kroon. Ik ben nog steeds advertenties van bruidswinkels aan het wegklikken omdat ik daar ooit eens op gezocht heb. En nu weer wat nieuws: vreemde vragen, als je een statusupdate wilt invullen.
"Wat is er aan de hand, Ginny?"
"Laat weten hoe je dag was."
"Hoe voel je je, Ginny?"
Euhm...
Ik weet het niet, maar ik krijg hier toch een steeds groter Big Brother-gevoel bij. En dat terwijl Broertje Facebook niet eens mijn naam kent - want Ninja, dat is volgens Facebook geen naam. Ondertussen vraagt Broertje Facebook me wel hoe ik me voel... dat gaat je niets aan, Facebook. En "wat is er aan de hand" - is dat een slechte vertaling van "what's going on", soms?
Hebben we hints nodig om te kunnen verzinnen wat we als statusupdate neerzetten? Is dat wat het is? Worden wij, hedendaagse internet-gebruikende, social-media verslaafde menschen, zo dom geacht dat we zelf niet eens meer zouden kunnen bedenken waarover we moeten schrijven? Hebben we daar nu al HINTS voor nodig?
Van mij hoeft Facebook niet mee te denken. Dat kan ik prima zélf. En ja, als Broertje Facebook daadwerkelijk een bestaand persoon zou zijn, zou ik nu de neiging hebben om m'n tong uit te steken.
Tegenwoordig gaat dat wel een beetje ver. En Facebook spant de kroon. Ik ben nog steeds advertenties van bruidswinkels aan het wegklikken omdat ik daar ooit eens op gezocht heb. En nu weer wat nieuws: vreemde vragen, als je een statusupdate wilt invullen.
"Wat is er aan de hand, Ginny?"
"Laat weten hoe je dag was."
"Hoe voel je je, Ginny?"
Euhm...
Ik weet het niet, maar ik krijg hier toch een steeds groter Big Brother-gevoel bij. En dat terwijl Broertje Facebook niet eens mijn naam kent - want Ninja, dat is volgens Facebook geen naam. Ondertussen vraagt Broertje Facebook me wel hoe ik me voel... dat gaat je niets aan, Facebook. En "wat is er aan de hand" - is dat een slechte vertaling van "what's going on", soms?
Hebben we hints nodig om te kunnen verzinnen wat we als statusupdate neerzetten? Is dat wat het is? Worden wij, hedendaagse internet-gebruikende, social-media verslaafde menschen, zo dom geacht dat we zelf niet eens meer zouden kunnen bedenken waarover we moeten schrijven? Hebben we daar nu al HINTS voor nodig?
Van mij hoeft Facebook niet mee te denken. Dat kan ik prima zélf. En ja, als Broertje Facebook daadwerkelijk een bestaand persoon zou zijn, zou ik nu de neiging hebben om m'n tong uit te steken.
Subscribe to:
Posts (Atom)

